John Stuart Mill en het feminisme

Geen slaaf zo slaaf als de vrouw

Vrouwenonderdrukking is niet alleen akelig voor vrouwen, het is de voornaamste hindernis voor vooruitgang, want de helft van de menselijke intelligentie blijft onbenut. Aldus John Stuart Mill, de eerste radicale feminist.

‘ELK TIJDPERK’, schrijft John Stuart Mill laconiek in On Liberty, ‘heeft opvattingen aangehangen die in volgende perioden niet alleen onjuist maar juist onzinnig werden gevonden; en net zo zeker als allerlei vroeger aanvaarde ideeën door het heden worden afgewezen, zullen talrijke nu gangbare ideeën door de toekomst verworpen worden.’
De meeste mensen, stelt hij, geloven in de collectieve autoriteit van de tijd en plaats waarin ze leven en staan er niet bij stil dat dezelfde redenen waarom ze anglicaan in Londen zijn, ze in Peking tot boeddhist of confucianist zouden maken. Het is nu eenmaal de noodlottige neiging van mensen om niet lang over iets na te denken als het om een vanzelfsprekendheid gaat, ze sussen zich maar al te snel in, zoals Mill het noemt, ‘de diepe slaap van een gevestigde mening’.
Het is natuurlijk een terechte observatie dat mensen over het algemeen in de gevangenis van hun sociale en historische context zitten. Mill gaf, en dat is bijzonder, aan de observatie ook gevolg in de praktijk: hij kon buiten de strakke kaders van het Victoriaanse Engeland denken, en wel vooral op één gebied, dat van de vrouwenrechten. De tweederangs status van vrouwen leek voor negentiende-eeuwers niet meer te botsen met de moderne beschaving dan dat het verschijnsel van de huisslaaf de notie van de oude Grieken van zichzelf als vrije mensen aantastte. Maar dominantie, noteert Mill streng, voelt altijd natuurlijk voor degene die het bezit. Tradities voelen al snel ‘normaal’. Zo zijn buitenlanders ontzet als ze horen dat Engeland wordt geregeerd door een koningin, terwijl Engelsen dat volkomen vanzelfsprekend vinden. Maar ze vinden het volstrekt onnatuurlijk als vrouwen soldaat zouden zijn, of parlementslid.
Tien jaar na On Liberty, in 1869, schreef John Stuart Mill zijn andere klassieke tekst: The Subjection of Women. Zijn pleidooi voor vrijheid voor vrouwen vloeide voort uit zijn denken over vrijheid in het algemeen, waarin het draaide om aangeboren gelijkheid, de triomf van de rede over de gewoonte en het recht op maximale individuele vrijheid, maar The Subjection is revolutionairder en moediger. Het werd de bijbel van het feminisme van de eerste golf. Volgens filosofe Martha Nussbaum maakte het pamflet Mill tot ‘de eerste radicale feminist in de westerse filosofische traditie’.
In 1980 plaatsten feministen op zijn graf in Avignon, dat behalve zijn naam geen toevoegingen bevatte, een kleine plaquette waarop te lezen was: ‘En hommage de John Stuart Mill, Defenseur des Femmes’. Het is de vraag of Mill blij was geweest met deze reductie van zijn leven en denken, maar al is het slechts een gedeeltelijke waarheid, waar is het wel. Als baardloze knaap steggelde hij al met zijn vader over kiesrecht voor vrouwen, waar hij van meet af aan een fervent voorstander van was. Hij schreef over de vrouwenkwestie, ijverde als parlementslid voor vrouwenkiesrecht, sloot zich bij de suffragettes aan en werd erepresident van het comité voor vrouwenkiesrecht – in de laatste jaren van zijn leven gooide hij zijn volle intellectuele, politieke en polemische gewicht in de strijd voor rechten voor vrouwen. Het was zijn overtuiging dat ‘de gelijkheid tussen man en vrouw de politieke & sociale kwestie met het meest vitale belang voor de toekomst’ was.

ACHTER ELK groot man staat zogezegd een grote vrouw. In het geval van John Stuart Mill was dat Harriet Taylor, zijn grote liefde, die hij in 1830 ontmoette, toen zij getrouwd was met ‘een man met een dubbele kin’, zoals een tijdgenoot het omschreef. Diezelfde tijdgenoot, die hun liefdesgeschiedenis opnam in zijn boek over grote liefdes, stelt dat Harriet voor Mill vanaf de eerste nacht dat hij haar zag de standaard van vrouwelijke perfectie vormde – om daaraan toe te voegen, ‘as an actual fact’, dat ze helemaal niet zo mooi was, want ze was nogal plat, en haar mond en neus waren nogal groot. Het laat zien hoe geobsedeerd de Victorianen waren door hun ‘liefdesvriendschap’.
Harriet Taylor was Mills soulmate. Gedurende de jaren dertig en veertig schreef hij over een veelvoud van politieke onderwerpen, vaak in samenwerking met haar. Zo publiceerden ze al in 1832 Early Essays on Marriage and Divorce. Alhoewel het moeilijk is uit te maken wie wat aan het werk van de ander bijdroeg, zijn historici het er wel over eens dat de wederzijdse invloed groot was. Mill moedigde Harriet aan bij het schrijven van haar artikel over vrouwenrechten, in 1850 gepubliceerd als The Enfranchisement of Women, waarbij enfranchisement zowel het verlenen van kiesrecht als bevrijding uit de slavernij betekent. Hij droeg zijn On Liberty op aan haar ‘geliefde en betreurde nagedachtenis’: ‘Als alles wat ik heb geschreven hoort het haar toe evengoed als mij.’ Zijn feministische geschriften zijn ook in haar geest geschreven, zeker het beeld van het ideale huwelijk dat erin opduikt, het vriendschapshuwelijk tussen een man en vrouw die gelijkwaardig zijn en zowel een intieme als intellectuele band hebben, is op hun huwelijk geënt.
Want uiteindelijk trouwden ze, in 1851, twee jaar na de dood van John Taylor. Harriet had een aversie tegen de vrouwelijke dienstbaarheid die in de toenmalige huwelijksrechten vervat was en om haar tegemoet te komen sloten ze eerst een prehuwelijkse akte, waarbij hij afstand deed van zijn wettelijke recht om als ‘heer en meester’ over zijn vrouw te heersen. Mill toonde daarbij aan dat hij practised what he preached. Haar vroege dood in 1858 moet hem nog meer aan de vrouwenstrijd vastgeklonken hebben.
Na Harriets dood bleef haar dochter Helen aan zijn zijde als medestrijdster – ook zij zette zich in voor vrouwenkiesrecht – gezelschapsdame, secretaris en assistent. Ze beantwoordde brieven voor hem, schreef toespraken en redigeerde zijn werk, precies zoals haar moeder had gedaan. Helen was een feministische activiste die hem aanvuurde parlementslid te worden; via haar kreeg hij de petitie voor vrouwenkiesrecht die hij in 1868 in het parlement indiende. Een jaar later pleitte hij in het Lagerhuis voor het vervangen van het woord ‘man’ in het woord ‘persoon’ – prematuur sekseneutraal taalgebruik, opdat stemrecht niet aan mannelijkheid gebonden was. Zoals hij in 1859 in zijn Thoughts on Parliamentary Reform al stelde, is sekse irrelevant voor politieke rechten, net als verschil in lengte of haarkleur.

JOHN STUART MILL had in 1861 al de laatste hand gelegd aan The Subjection of Women, maar wilde wachten met de publicatie ervan tot het moment dat het pamflet maximale impact zou hebben. Na de verwerping van de petitie was het moment daar. En het had impact. De radicale maar respectabele filosoof werd erom bespot in woord en beeld, in het laatste geval meestal in vrouwenkleding: ‘Miss Mill joines the ladies’.
The Subjection of Women is radicaal, scherpzinnig, her en der geestig en bovenal overtuigend – ook nu nog, terwijl het meeste wat Mill als misstand beschrijft inmiddels is opgeheven. Het staat dan ook bekend als een van de beste polemieken in het Engels geschreven. Mill probeert in het eerste hoofdstuk van The Subjection de lezer voor zich te winnen: de onderdrukking is niet alleen akelig voor vrouwen, het is de voornaamste hindernis voor menselijke vooruitgang, de helft van de menselijke intelligentie blijft onbenut. Het gaat, kortom, iedereen aan. Maar het zal niet eenvoudig zijn iedereen daarvan te overtuigen, omdat de opinie dat de vrouw inferieur is niet op argumenten berust, maar op gevoel, en gevoelens zijn hardnekkig. Mill is de meester van de koele vergelijking, waarmee hij lijkt aan te geven dat de hardnekkige gevoelens het beste koeltjes bestreden kunnen worden. Bijvoorbeeld: niemand vindt het nodig om een wet te maken die voorschrijft dat alleen mannen met sterke armen smid kunnen worden – de vrije markt en concurrentie zorgen daar vanzelf voor; waarom moeten vrouwen dan wettelijk van alles worden uitgesloten? Mill concludeert ijskoud: ‘What women by nature cannot do, it is quite superfluous to forbid them from doing.’
In zijn pleidooi maakt Mill meermalen de vergelijking met slavernij, in de oudheid, of de negerslavernij van kort geleden. Ook slavernij berustte op zogenaamde superioriteit, op het recht van de sterkste, maar hoort, volgens de nieuwe communis opinio, in een beschaafde samenleving niet thuis. Behalve als het om vrouwen gaat: ‘Marriage is the only actual bondage known to our law. There remain no legal slaves, except the mistress of the house.’ Hij gaat zelfs nog een stap verder: de onderdrukking van vrouwen gaat verder dan slavernij. ‘Men’, schrijft hij scherp, ‘do not want solely the obedience of women, they want their sentiments.’ Hij nuanceert later dat hij natuurlijk niet pretendeert te zeggen dat vrouwen in het algemeen niet beter behandeld worden dan slaven, maar vrijwel geen slaaf was zo totaal slaaf als de vrouw. Oom Tom had nog zijn ‘negerhut’, waarin hij zijn eigen leven kon leiden – vrouwen hebben dat niet. Slavinnen hadden het recht om, in het eufemisme van Mill, ‘the last familliarity’ tegenover hun meester te behouden; vrouwen zijn bij wet ‘het instrument van de dierlijke functies’ van de man.
Het hart van zijn betoog vormt het huwelijk, dat in zijn tijd vrouwen alle rechten ontnam, zelfs die op bezit en eigen geld. Het huwelijk, volgens Mill was dat het best te vergelijken met despotisme: niet iedere man is een Caligula, maar zo veel verlichte despoten kende de geschiedenis ook weer niet. Bovendien was het huwelijk geen instituut voor een select edelmoedig gezelschap, iets waarbij je eerst een akte van bekwaamheid moest overleggen: elke man kon trouwen.
Zo bezien was John Stuart Mill niet alleen voorloper van de eerste feministische golf, maar ook van de tweede. Hij was weliswaar van mening dat vrouwenkiesrecht het noodzakelijke begin was, maar hij roerde ook alle andere strijdpunten aan, van vrouwenmishandeling tot het recht voor vrouwen op hoger onderwijs; van verkrachting binnen het huwelijk tot de misvormende opvoeding van vrouwen waarin alles om haar aantrekkelijkheid voor mannen draait; van het belang dat vrouwen publieke functies bekleden tot de dubbele moraal als het om prostitutie gaat. Over het laatste had hij trouwens een opvatting waar politici nog steeds naar zouden moeten luisteren. Als rasliberaal was hij tegen een verbod, maar hij vond tegelijk dat de staat prostitutie op geen enkele manier moest legitimeren, bijvoorbeeld door hoeren op geslachtsziekten te testen en bordelen een licentie te geven: ‘A parallel case would be supplying stomach pumps to drunkards, or arrangements for lending money to gamblers.’
Het zou in Engeland trouwens tot 1928 duren, 61 jaar nadat Mill zijn petitie indiende, voordat vrouwen hetzelfde stemrecht kregen als mannen. De oudere suffragettes, van wie een enkeling hem nog had gekend, togen na de beslissing van het Huis van Afgevaardigden naar het standbeeld van John Stuart Mill. Er bestaat een ontroerende foto van: enkele tientallen vrouwen in verstandige jassen met pothoedjes op die bloemenkransen leggen aan de voeten van de man die zich als geen ander voor hen had ingezet.