Film: ‘J’accuse’

Geen smetteloze held

J’accuse geregisseerd door Roman Polanski © Gaumont

Een film waarin een man ten onrechte wordt veroordeeld wegens een misdaad – daarvan zijn er dertien in een dozijn. Maar als de maker Roman Polanski is, regisseur van grote klassiekers als Chinatown (1974), dan roept het kijken naar zijn film vraagtekens op. Polanski werd in maart 1977 in Los Angeles gearresteerd wegens verkrachting van de dertienjarige Samantha Geimer. Een jaar later vluchtte hij naar Frankrijk waar hij vervolgens jarenlang woonde en werkte. Hij werd persona non grata, maar Polanski zegt zélf slachtoffer te zijn van ‘corrupte rechters’. En nu, in de tijd van #MeToo, maakte hij J’accuse, gebaseerd op Robert Harris’ schitterende thriller uit 2013, An Officer and a Spy.

Het verhaal gaat over de Dreyfus-affaire, ‘misschien wel het grootste politieke schandaal en de grootste gerechtsblunder uit de geschiedenis’ (Harris). In de jaren negentig van de negentiende eeuw, een kwart eeuw na de Frans-Duitse oorlog, belandt de joods-Franse officier Alfred Dreyfus achter tralies op het beruchte Duivelseiland, omdat hij een spion voor Duitsland zou zijn geweest. Maar van de terechtstelling klopt niets, blijkt uit een clandestien onderzoek van kolonel Georges Picquart na een publieke campagne gevoerd door voorname Fransen, onder wie schrijver Émile Zola. De spion is iemand anders. Hooggeplaatste politie- en legerofficieren hebben de werkelijke gang van zaken in een doofpot gestopt.

Polanski’s acteurs zijn in topvorm, vooral Jean Dujardin als Picquart en Emmanuelle Seigner (echtgenote van Polanski) als zijn minnares Pauline. De sets zijn tot in de puntjes verzorgd. De prachtige beginscène deed mij denken aan de opening van Papillon (1973) van Franklin D. Schaffner, over een ándere Fransman, die uit de titel, die eveneens onterecht op Duivelseiland belandde: een plein in Parijs waar een menigte zich verzamelt, de stilte oorverdovend. Rijen soldaten in het zwart. Officieren in vol ornaat. In J’accuse wordt Dreyfus publiekelijk vernederd: de gouden knopen van zijn uniform worden eraf gerukt, zijn sabel ceremonieel doormidden gebroken. Zo zet Polanski meteen de clash tussen individu en staat neer, en de eerste is bij voorbaat kansloos.

Afgezien van Polanski’s artistieke prestaties rijst de vraag of het moreel verantwoord is om J’accuse te zien. Natuurlijk kun je de regisseur veroordelen – wat hij heeft gedaan ís verwerpelijk. Maar de film zien, het verhaal lezen, kan belangrijker zijn dan de vraag of de maker een schurk is. Zeker: verkrachting. Maar de film dan? Die is waardevol. Bovendien, die gaat helemaal niet over een ‘arme onschuldige’, over slachtofferschap, over ‘de affaire-Polanski’ gemaskeerd als ‘de affaire-Dreyfus’. In plaats daarvan focust Polanski op het thema uit Harris’ roman, namelijk in hoeverre een man, Picquart, nog zijn eigen gevoel van plicht en eer kan volgen wanneer de machinaties van corrupte staatsorganen een maatschappij infecteren. Mooi is dat Picquart geen smetteloze held is. Grif geeft hij toe: ik vind joden geen fijne mensen. Zijn inspanningen om Dreyfus’ onschuld te bewijzen, die we volgen via de conventies van de traditionele thriller, tekenen de ontwikkeling van zijn karakter. Uiteindelijk weegt zijn bewustzijn van gerechtigheid zwaarder dan zijn vooroordelen jegens Dreyfus.


Vanaf 16 april te zien bij streamingdienst Picl, picl.nl