Zomerlezen: De mannenleeslijst (10)

Geen sneeuwvlokje

Met Fight Club kwam Chuck Palahniuk niet alleen in opstand tegen de consumptiemaatschappij, hij zorgde er ook voor dat mannen die zichzelf niet gehoord voelden werden gezien. Daarom wordt hij nu nog aanbeden.

Brad Pitt in Fight Club (1999) © 20th Century Fox

Als je een man bent en je bent christen en je woont in Amerika, aldus een verder anonieme automonteur die lid is van Fight Club, dan is je vader je model voor God. Maar wat als je je vader nooit gekend hebt, als je vader ervandoor gaat of doodgaat of nooit thuis is, wat dan? Wat je dan uiteindelijk doet, zegt de automonteur, ‘is je hele leven zoeken naar een vader en naar God’.

Maar nu is hij daar ineens, de vaderfiguur naar wie je altijd hebt gezocht. Hij staat onder de enige lamp in een zwarte betonnen kelder en daar ‘ziet hij het licht van de lamp in honderd paar ogen flikkeren’. Hij is Tyler Durden en hij begint te schreeuwen. Dat de eerste regel van Fight Club is dat je niet praat over Fight Club. Hij vervolgt, want de tweede regel van Fight Club is ook dat je niet praat over Fight Club. Zijn woord is genoeg, buiten de uren die je hier in deze kelder met lotgenoten doorbrengt weet je van niks, huh, Fight Club, nooit van gehoord, want hier wil je bijhoren. Niet veel later wordt er gevochten door mannen die er niet per se goed in zijn.

De mannen die Tyler aankijken hebben in elk geval een ding gemeen, zegt de naamloze verteller in de bijna 25 jaar geleden verschenen klassieker Fight Club van de Amerikaanse cultschrijver Chuck Palahniuk: het is een generatie mannen opgevoed door vrouwen. De verteller kan zich zijn eigen vader niet meer herinneren; die begint elke zes jaar een nieuw gezin in een nieuwe stad alsof het franchise-filialen zijn en geen families. En dus is daar: Tyler Durden.

In Fight Club heeft de mannelijke naamloze verteller een miezerig leven en een slaapprobleem. Hij bezoekt praatgroepen van bijvoorbeeld kankerpatiënten, ontmoet op een naaktstrand de ongrijpbare Tyler Durden, die vanaf dat moment zijn leven gaat bepalen. Als het huis van de verteller samen met al zijn spullen wordt opgeblazen, want ‘the things you own end up owning you, it’s only after you lose everything that you’re free to do anything’, gaat hij bij Durden wonen, die daarvoor wel een voorwaarde heeft: de verteller moet hem keihard in zijn gezicht slaan, het begin van de ondergrondse vechtwedstrijden. Fight Club gaat volgens hem niet over winnen of verliezen, niet over woorden. Het gaat ook niet over hoe je er als man uitziet. Hier worden jongens mannen, iemand met een kont ‘zo slap als deeg’ lijkt na een half jaar op iemand die uit hout is gesneden, vol zelfvertrouwen. Waarom zou je als man doodgaan met heel veel spullen van een Zweeds meubelmerk, maar zonder littekens – in dit geval nogal letterlijk? Eigenlijk willen ze maar een ding: zich een echte man voelen na een leven waarbij ze zichzelf moesten leren scheren, er geen directe voorbeelden waren en er altijd vrouwen waren die zeiden wat je moest doen – thuis en op het werk.

Chuck Palahniuk © Rhododendrites

Van de eerste keer dat ik Fight Club las, ik moet een jaar of twintig zijn geweest, herinner ik me naast het geweld enkele opvallende scènes die duidelijk bedoeld waren om te shockeren. De niet-zichtbare pornofragmenten die in bioscoopfilms werden gemonteerd. Een begrafenisondernemer die tijdens de huwelijksnacht zijn vrouw vraagt om in ijswater te baden, waarna ze bewegingsloos moet blijven liggen tijdens de daad.

‘Je bent niet speciaal. Je bent geen prachtigen uniek sneeuwvlokje’

Zo’n boek is het ook, maar in die bizarre delen zit niet de waarde. Die zit in de aanklacht tegen de massaconsumptie en steeds meer meer meer, tegen de afstandelijke omgangsvormen die daarmee gepaard gaan. Waarom moet je huis helemaal vol met spullen staan? De hoofdfiguur gaat naar verschillende praatgroepen voor terminaal zieken. ‘Daarom hield ik zoveel van supportgroepen, als mensen dachten dat je doodging, gaven ze je hun volledige aandacht. Als het misschien de laatste keer was dat ze je zagen, dan zagen ze je echt. Al het andere, hun financiën en liedjes op de radio en m’n haar ziet er niet uit, was vergeten. Je had hun volle aandacht. De mensen luisterden in plaats van op hun beurt te wachten om ook iets te zeggen.’ Maar meer nog is het dit: er wordt over en door mannen gesproken op een manier die je weinig hoort, maar die mannen herkennen. In boeken waarin dezelfde directe taal zit, is vaak sprake van één man die centraal staat en niet per se De Man. ‘Niks is blijvend. Alles gaat naar de klote. Dat weet ik omdat Tyler het weet.’

De frustratie bij de leden van Fight Club is deze: het zijn de ‘sterkste en intelligentste mannen die ooit hebben geleefd en die mannen staan aan de benzinepomp en werken als obers’. Het gaat om een niet-ingeloste belofte: de mannen groeiden op met de gedachte dat ze op een dag zouden uitblinken, een ster zouden zijn, als acteur of rocker, en op zijn minst miljonair. De realiteit: de enige miljonairs met wie ze in aanraking komen, worden door hen gediend. De relatie met De Vrouw is problematisch en wie weet verandert dat als de ‘traditionele verhoudingen’ worden hersteld, maar ja, wie wil dat nog? Het gevoel hebben dat niemand het wat kan schelen of je leefde of dood was. Overbodig geworden op het werk door technologische vernieuwing.

De boze en gefrustreerde mannen uit Fight Club, in 1999 succesvol verfilmd door David Fincher, zijn de veertigers, vijftigers, zestigers van nu. De generatie die zij hebben opgevoed – of hebben nagelaten op te voeden – heeft nu de leeftijd die zij toen hadden, en ook onder hen is een grote groep die Fight Club ziet en leest als een soort bijbel. Het is dan ook geen toeval dat de Canadese klinisch psycholoog Jordan Peterson, de held van alt-right, ruim twee decennia na het verschijnen van Fight Club een artikel van David Harsanyi deelde op zijn populaire sociale media-kanalen, met de titel Why ‘Fight Club’ Still Matters. Harsanyi bepleit daarin dat Fight Club nog steeds van belang is omdat veel van de hedendaagse cultuur vooral bedoeld is ‘om elkaar schouderklopjes te geven’. ‘Mr. Robot of Girls – of, nou ja, elke andere zogenaamd sociaal gewetensvolle film, serie of roman die in mijn hoofd opduikt nu ik dit schrijf – zijn prekerige oefeningen die ideeën ondersteunen die al volledig door het publiek worden omarmd. Niemand wordt uitgedaagd, omdat uitgedaagd worden beledigend is.’

Peterson oefent een grote aantrekkingskracht uit op vooral jonge witte mannen, omdat hij zich luidkeels verzet tegen iedereen die het ‘blanke westerse patriarchaat’ afschildert als het grote kwaad. Hij strijdt in zijn boeken en zeer populaire filmpjes tegen ‘cultuurmarxisme’, oftewel mensen die vinden dat er zoiets bestaat als ‘white privilege’ en de feminisering van de westerse wereld.

Peterson wordt door zijn achterban liefkozend ‘daddy’ genoemd. Meer nog dan een vaderfiguur is hij iemand op wie De Westerse Man altijd kan terugvallen. Iemand die De Man kan bevestigen in zijn mannelijkheid. Iemand die in verzet komt. Hij zegt het zoals het is: dat gezeik over intersectionaliteit. Het is dezelfde directe ‘mannentaal’ als in Fight Club. Daarin gebruikte Palahniuk voor het eerst de term snowflake. ‘Je bent niet speciaal. Je bent geen prachtig en uniek sneeuwvlokje.’ Het is de afgelopen jaren vooral online een begrip geworden waarmee ‘politiek correcten’ worden aangeduid aan de linkerzijde van het politieke spectrum, een jonge generatie die zichzelf speciaal vindt en de werkelijkheid niet aankan. In een interview met The Guardian zei Palahniuk over de term snowflake: ‘Er is een nieuw Victoriaans tijdperk. Elke generatie voelt zich beledigd door andere dingen, maar mijn vrienden die lesgeven op middelbare scholen vertellen me allemaal dat hun studenten wel heel gemakkelijk beledigd zijn.’

Fight Club wordt toegeëigend door allerlei groepen mannen naast alt-right. Door de lezers van het pick-up artist-boek The Game van Neil Strauss wordt het aangehaald, maar ook bij incels, mannen die onvrijwillig celibatair zijn omdat ze geen vrouwen kunnen krijgen, is het een zeer populaire roman. Zij noemen Fight Club als voorbeeld waarom men gewone, gefrustreerde mannen niet moet onderschatten.

‘Het is fascinerend dat de groep die geen seks kan krijgen nu dezelfde taal aanneemt als de mannen uit The Game’, zei Palahniuk daar vorig jaar over. ‘Het laat zien hoe weinig opties mannen hebben op het gebied van metaforen. Ze hebben The Matrix – er is veel te doen om rode en blauwe pillen – en ze hebben Fight Club.’ Vrouwen, zegt hij, hebben meer literatuur om vrouwelijke sociale structuren te duiden, zoals The Joy Luck Club en How to Make an American Quilt. ‘Die boeken hebben een script en rollen die vrouwen kunnen aannemen’. Maar voor Palahniuk zelf gaat Fight Club over iets heel anders dan over mannelijkheid: de horror dat je zou leven of sterven zonder iets belangrijks over jezelf te begrijpen.

Na het eerste gevecht met Tyler heeft de naamloze verteller het gevoel dat hij eindelijk zijn vinger krijgt ‘achter alles wat niet werkte in de wereld, m’n was die terugkwam met kapotte boordknoopjes, die bank die zegt dat ik honderden dollars rood sta. (…) Er was niks opgelost toen het gevecht voorbij was, maar niks deed ertoe.’