Geen snoep

Marjolijn van Riemsdijk
De kleine bioscoop met de grote naam: Driekwart eeuw filmtheater De Uitkijk
Maatschappij voor Cinegrafie, € 10,-

Bij De Groene Amsterdammer, een bescheiden tijdschrift gevestigd te Amsterdam, ging in 1972 de adresseermachine kapot. De directeur wilde daarop een computer aanschaffen – modern, voor die tijd – maar de redactie was daar tegen. Zo’n ding was Amerikaans, en dus uit den boze; het zou bovendien beter zijn, voor een aksiecentrum als De Groene, dat er vrijwilligers werden gezocht om ’s woensdags met de hand de etiketten te schrijven.

Dat soort principiële zelfkastijding, zo vaak geassocieerd met calvinisme, was in vooruitstrevende kringen in Nederland lange tijd de rigueur. Een vlot geschreven (maar lelijk vormgegeven) boekje van Marjolijn van Riemsdijk over de geschiedenis van de Amsterdamse bioscoop De Uitkijk geeft er ook een aardig beeld van.

De Uitkijk overleeft in het moderne multiplexgeweld als een van de zeer weinige eenzaalsbioscopen van het land. De zaal is ondergebracht in pakhuis Oud-Beijerland aan de Prinsengracht, dat in 1913 werd verbouwd tot City Bioscope. In 1929 nam de Amsterdamse cineast Mannus Franken, lid van het bestuur van de Nederlandse Filmliga, de bioscoop over. De Filmliga was opgericht in 1927 door onder anderen Menno ter Braak, Charley Toorop en Joris Ivens naar aanleiding van een verbod op de vertoning van de omstreden Russische film De moeder van Pudovkin. De Filmliga draaide daarna eens in de twee weken, in besloten kring, op zaterdag een programma in Kriterion, in de Roetersstraat. Met De Uitkijk beschikte men over een eigen art-house, het eerste buiten Parijs. Het opende met een voorstelling van La passion de Jeanne d’Arc van Carl Dreyer.

De Uitkijk volgde in haar Filmliga-dagen strikte principes. Men kwam er ‘alleen voor de film’, vond de liga, en alles wat ook maar zweemde naar luxe en Hollywood-zoetigheid was uit den boze. De stoelen waren daarom hard en ongemakkelijk, er was geen buffet, er werden geen versnaperingen verkocht en er was geen orkest. Pas in 1932 kwam er apparatuur voor geluidsfilms. Men leed voor de kunst.

Op die rumoerige voorgeschiedenis na is er an sich weinig bijzonders aan De Uitkijk. Tot de oorlog had men het monopolie op ‘de betere film’. In de jaren veertig en vijftig, toen de cinema haar hoogtijdagen beleefde – Fietsendieven, Notte di Cabiria, Mon oncle, l’Avventura, Hiroshima mon amour – ging het De Uitkijk voor de wind. Easy Rider draaide er een jaar lang elke dag. Daarna zette het verval in. Aanpassingen waren te kostbaar; er was geen ruimte voor een tweede zaal. Kassuccessen als Delicatessen en Amélie hebben de bioscoop gelukkig ternauwernood overeind kunnen houden.