Geen spoortje van een geheim

HAGAR PEETERS
LOPER VAN LICHT
De Bezige Bij, 45 blz., € 12,90

Een kleine tien jaar geleden verraste Hagar Peeters met regels als deze:

De hoed heeft brede randen
die als uitgangspunt dienen
om de gedachten tegen te houden
opdat zij niet vervliegen

Een speelse, soms bijna kinderlijke benadering van volwassen thema’s in beheerste en van klank soms huppelende gedichten, het kenmerkte haar debuut Genoeg gedicht over de liefde vandaag. Peeters vestigde naam en bewees die in Koffers zeelucht (2003). Voor deze poëzie, doordrongen van een op laconieke wijze verwoorde pijn – ‘Ik ben de steen waarvan mijn ouders eens besloten/ er zich slechts éénmaal aan te stoten’ – met raak en beeldend taalgebruik (onheil ‘op gehoefde sokken’), met lamento’s waarin niet bij de pakken neer werd gezeten, ontving ze, terecht, de Jo Peters Poëzieprijs.
Vijf jaar later is er Loper van licht. Daarin is die wat tobberige, maar nooit humorloze en daardoor lichte toon ver te zoeken. Wat is er gebeurd?
Hagar Peeters vond een naamgenoot, de bijbelse Hagar. Haar verhaal – ze was slavin van Abraham, baarde hem een zoon Ismael, maar werd toen Abrahams echtgenote Sara het leven schonk aan Isaak, verjaagd, de woestijn in – loopt als een rode draad door deze bundel. Het is een vertelling vol overspel, jaloezie, angst en Peeters maakt gebruik van de dramatische mogelijkheden die haar dat biedt. Het is Hagar die het woord voert, veelal in de vorm van een monoloog. Hoewel ze pakkend opent, ‘Te brutaal bevonden ben ik’, missen veel van die monologen souplesse, verzanden haar sprekers regelmatig in geconstrueerde zinnen of (te) lange opsommingen, zoals die van volkeren in het gedicht In de naam. Als kind vond ik die bijbelse passages waarin de afstamming van deze of gene bijbelse figuur zo eindeloos werd doorgenomen al saai. Ook nu kon ik de neiging tot overslaan maar nauwelijks onderdrukken, zelfs al doet Peeters hier en daar een voorzichtige poging wat humor in haar opsommingen te brengen.
Maar Peeters wil meer dan alleen het herscheppen van een bijbels verhaal. Ze wil in Loper van licht tevens de actualiteit van het eeuwenoude thema van verbanning en op de vlucht zijn laten zien en belandt in het Nederland van nu.

Kijk maar naar me:
er zijn vele schakeringen Hagar.

Zoals Ayaan
de dochter van Hirsi
– die te boek staat als de zoon van Magan, vrijwel zeker een kind van Isse
(…)
die nu is verdreven.

Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Ze laat betrokkenheid zien bij hetgeen om haar heen gebeurt, poogt zich in te leven in de wereld van de asielzoekers, de uitgewezenen: ‘Het huis is geen verblijfplaats/ maar een verwachtplaats./ Alle kamers zijn wachtkamers.’
Het onderwerp dat Peeters aanroert, snijdt tot in de ziel, maar haar taal doet dat niet. Alles lijkt moeizaam op papier gekomen. ‘Verwachtplaats’, een wat gewrongen woordspel, daarbij blijft het. Of in een gedicht over de voortdurende oorlogen: ‘Al die veelheid in toekomstige onenigheid’ – waarom van die grote woorden? Ze blijven leeg. Het is ondanks Peeters’ gebruik van rijm allemaal zo weinig muzikaal, zo zonder humor. Zelfs een gedicht met de toch geestige titel Ook de wind heeft een mening wordt dichtgetimmerd, laat geen spoortje van een geheim achter. Toegegeven, hier en daar vlamt gelukkig ook de ‘oude’ Peeters even op en wordt te midden van de zwaarte even lucht gegund. En het gedicht Een offerande waarin Peeters Abrahams offer – God vroeg hem zijn zoon Isaak te slachten om zo zijn geloof op de proef te stellen – in verband brengt met de ‘offers’ die gebracht worden bij hedendaagse terreuraanslagen, is ludiek:

en na elke zelfmoordaanslag
liggen geen mensenlijken
maar resten geit verspreid
tussen het puin en de ruïnes

opdat arme buurtbewoners
de stukken komen rapen
en ’s avonds feestmalen aanrichten
voor de hele straat.

Loper van licht besluit met drie lange(re) gedichten, waaronder een Jeremiade voor het avondland, een opsomming die in veertien forse strofes wil laten zien hoe West-Europa tot op de kleinste spijker verroest is:

Wat bracht ons zo’n grootschalige oxidatie?
Waren het de waters van de Europese regens, rivieren of zeeën
erosie of economische malaise of iets heel anders?

Een ‘jeremiade’ is het zeker, maar poëzie? In het poëticale slotgedicht lijkt niet langer bijbelse Hagar aan het woord, wil een ‘ik’ met de grote mannen Baudelaire, Whitman en Campos ‘mee op stap’. Haar woorden klinken stoer. Zij die werd verdreven, neemt het heft in eigen handen.
Hagar Peeters is niet de enige onder de jongere dichters die zoekt naar een actuele betekenis van bijbelse verhalen. Haar zoektocht lijkt vooralsnog niet religieus getint, wel dient deze een hoger ideaal, waarvan misschien al een voorbode te lezen was in Koffers zeelucht:

Godbetert die vader van mij was altijd haantje
de voorste waar het onrecht betrof.
(…)
Godsamme mijn vader op wie ik zo trots was
dat ik hem na wilde volgen,
een fellowkindeke klein;

In Loper van licht heeft Hagar Peeters dat onrecht aan de kaak gesteld. Maar ze is er niet in geslaagd dat ook in woorden voelbaar te maken en ons zo een nieuwe blik te gunnen op wat we al uit kranten of documentaires wisten of in sommige romans lazen. Jammer.