Interview: Gijs van Tuyl. Directeur Stedelijk Museum: «Mijn droom is dat de jeugd binnenstroomt»

Geen tempel, geen kermis

Gijs van Tuyl, sinds een half jaar directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, wil een museum maken dat een onontkoombaar brandpunt voor moderne kunst is. «Mijn droom is dat de jeugd binnenstroomt.»

Zijn stopwoord is «een beetje». Als conservator heb je soms «een beetje» geluk nodig. In Amsterdam is het in sommige opzichten «een beetje» treurig gesteld – de stad verkeert nu niet bepaald in een periode van groots elan. En als museumdirecteur moet je «een beetje» vrijheid worden gegund. Het klinkt alsof hij «een beetje» voorzichtig is, wat slagen om de arm houdt omdat hij voor zo’n zware taak staat. Maar dat klopt niet. Gijs van Tuyl is nu een half jaar directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam en hij praat met jongensachtig enthousiasme. Over de tentoonstellingen die hij in het Kunstmuseum Wolfsburg organiseerde, waar hij hiervoor de scepter zwaaide. Over de kunstenaars die hem inspireren. En hij is ambitieus. Hij is erop ge brand van het Stedelijk opnieuw een museum te maken waarover gepraat wordt, dat een onontkoombaar brandpunt voor moderne kunst is. Hij wil succesvol zijn.

We zitten aan een gigantische tafel in de Van Eeghenkamer van het voormalige TPG-gebouw waarin het Stedelijk nu tijdelijk gevestigd is. Voor Van Tuyl ligt een nota voor de wethouder die hij zojuist heeft afgerond over de toekomst van het museum. In codewoorden vertelt hij wat hij daarin zoal aansnijdt: het museum weer internationaler maken; de collectie opnieuw bestuderen en uitbreiden; zorgen voor vernieuwende presentaties; versterken van marketing en communicatie; verbeteren van dienstverlening aan het publiek – «Het museum moet echt een vijfsterrenhotel zijn» – de educatie verbeteren; efficiëntere bedrijfsvoering; de renovatie, en het versterken van de financiële positie – «meer poen».

Maar deze middag hebben we het vooral over de inhoudelijke kant van Van Tuyls ambitie. We praten niet over sponsoring, de verzelfstandiging van het museum, de reorganisatie die hij op allerlei gebieden moet doorvoeren. We praten, in heel grote lijnen, over wat we in zijn museum gaan zien, en ervaren. Hij ge bruikt graag voetbalmetaforen, vergelijkt het Stedelijk regelmatig met Ajax. Het Stedelijk moet weer in de Champions League gaan spelen, vindt hij. Hoe hij dat wil bereiken? Eigenlijk precies zoals de voetbalclub dat doet: door te kijken naar de traditie, naar, zoals het heet, de «eigen huisstijl», daarin ligt de kracht van het museum. De sterke kanten van het Stedelijk waren, volgens de directeur, van oudsher openheid, nieuwsgierigheid, avontuurlijkheid, en het museum was, om met Rimbaud te spreken, «absolut moderne».

«Je ziet», zegt Van Tuyl, «dat die sterke kanten een beetje zijn weggezakt. Vroeger ging men graag naar het Stedelijk om verrast te worden. Toen ik student was, in de jaren zestig, kon je naar het museum gaan zonder te weten wat het programma was. Altijd vond je iets wat interessant was, zag je iets wat je nog niet gezien had. Het is fantastisch als je dat bereikt.»

Hoe kan het, vraag ik, dat die geweldige plek die het Stedelijk was op een gegeven moment in het slop is geraakt?

Gijs van Tuyl formuleert behoedzaam: «Er zijn verschillende oorzaken. In de eerste plaats is het een natuurlijk proces: een topclub bloeit – denk aan Ajax – en op een gegeven moment zie je dat hij terugvalt. De wet van de remmende voorsprong. In de tweede plaats is het museum de aansluiting op de actualiteit gaan missen. Mijn collega’s en vrienden in het buitenland vonden ook dat het Stedelijk niet meer was wat het geweest was. Het bracht niet meer datgene wat aan de orde is, er gingen geen nieuwe impulsen meer van uit. We hebben in het Stedelijk godbetert geen enkel werk van Jeff Wall. Hij is een van de grootste kunstenaars van de jaren negentig, die juist dingen verbindt als kunst en documentaire, kunst en werkelijkheid, fotografie en een hele geschiedenis van schilderkunst van Manet tot het meest hedendaagse. Het heeft, in de laatste plaats, misschien ook te maken met een algemeen klimaat dat in Nederland heerst. Er is een grote mate van sociale en culturele controle, waarbij de uitschieters een beetje moeilijker naar boven komen. Het excellente wordt niet met liefde gekoesterd.»

Maar vroeger was het misschien ook eenvoudiger om excellent te zijn. Het Stedelijk was het enige museum voor moderne kunst in Nederland – nu zijn er wel vijftien, die allemaal proberen te doen wat Sandberg, de legendarische directeur van het Stedelijk na de oorlog, deed. «Dat is absoluut een factor», geeft Van Tuyl toe. «In het land der blinden is eenoog koning. Al die musea zouden moeten worden teruggebracht tot, laat ik zeggen, vier. Dat is misschien een beetje overdreven, maar de rijksoverheid verdeelt geld over een heleboel musea, terwijl zij zich beter zou kunnen concentreren op wat minder, zodat die werkelijk de top kunnen halen. Wij streven naar de status van het enige, nationale museum voor moderne kunst.

Het probleem was ook dat de fondsen hadden afgehaakt doordat het museum niet meer zo’n positieve indruk maakte. Ze stonden dan niet meer open voor het Stedelijk omdat ze met meer gerenommeerde instituten in zee wilden gaan, zoals het Rijksmuseum, het Kröller-Müller, het Mauritshuis of het Van Gogh. In de wereldnaam van het Stedelijk zat een deuk. Het is gebeurd, en nu moeten we er vanaf.» Lachend: «En gauw ook!»

Nog een keer: met welk spel moet het Stedelijk de Champions League bereiken? «Het heeft vooral te maken met het programma», zegt Van Tuyl. «Dat moet aansluiting hebben met wat er nú in de wereld gebeurt. En het moet veelzijdig zijn. Sandberg maakte heel brede tentoonstellingen als Cobra en Bewogen beweging. En weet je wat het grappige is? Die tentoonstellingen zijn vaak niet door hemzelf bedacht. Niet dat hij er tegen was, maar ze werden aangedragen door een of andere kunstenaar, Bewogen beweging door Tinguely bijvoorbeeld. Ook Op losse schroeven, een van de laatste legendarische tentoonstellingen, werd hem aangereikt.»

Zulk soort brede, signalerende tentoonstellingen maakte Van Tuyl al in Wolfsburg: «We hadden het geluk dat we aanvoelden: we moeten naar Londen. We wisten enigszins wat er speelde, maar ik heb er toch, samen met een conservator, een week, tien dagen alle ateliers afgelopen. Al snel werd duidelijk dat iedereen in de Groucho Club zat, en de tentoonstellingen die daar gemaakt werden, daar móest je naartoe. Daar zag je Damien Hirst en Tracy Emin en Sarah Lucas. We hebben daar een tentoonstelling van gemaakt en die was een sensatie in Duitsland. Je moet ook een beetje geluk hebben. Je moet proberen vroeg te zijn. En je moet dingen het museum binnenhalen die je helemaal niet snapt en er dan naar kijken en nog eens naar kijken. Tentoonstellingen ontstaan niet in de bibliotheek, maar op allerlei plekken. Als je begint, weet je niet waar je uitkomt. Stel je voor dat je dat wél wist.»

Om het met een voetbalmetafoor te zeggen: «Als je als spits wilt scoren, moet je veel bewegen. Ineens krijg je de bal op je schoen, maar je weet het nooit van tevoren.»

Naast de signalerende tentoonstellingen wil Van Tuyl uiteraard ook overzichts tentoonstellingen van individuele kunstenaars gaan maken. De actualiteit moet afgewisseld worden met de traditie: «Wat bij Sandberg over het hoofd wordt gezien is dat hij ook tentoonstellingen over honderd, honderd vijftig jaar schilderkunst maakte. Of over de negentiende eeuw, en Breitner – en dat niet alleen om de burgemeester en wethouder te behagen omdat hij het museum wit geschilderd had. Er zijn ook altijd verbindingen met het verleden. Cézanne zei ooit dat zijn hele carrière erop was gericht om Poussin naar de natuur te herschilderen. Als ik aan Jeff Wall denk, denk ik ook vaak aan Poussin of Monet, terwijl hij een van de meest vooruitgeschoven posities inneemt. Het museum heeft ook een grote collectie. Op basis daarvan wil ik nieuwe interpretaties maken van de oude meesters.

Dat er in Nederland de laatste twintig, vijfentwintig jaar nog nooit een Warhol-tentoonstelling is gemaakt, is toch krankzinnig. Hij is de allergrootste kunstenaar uit de tweede helft van de twintigste eeuw, wat mij betreft. Alles heeft hij uitgevonden. Reality-tv: Warhol deed het al, veertig jaar geleden. Hij heeft alles aangeraakt: massacultuur, de grens tussen high en low, het idee van documentaire, de vraag wat real is. Alles. Hij is ook een geëngageerde kunstenaar, hij vrat de realiteit op. Hij moet een ongelooflijke nieuwsgierigheid hebben ge had: elke dag, tien jaar lang, heeft hij een film rol geschoten. Nu worden in het Moma de screentests getoond die hij gemaakt heeft – fascinerend om te zien. Dus dat gaan we nog een keer doen, een grote Warhol-tentoonstelling maken.»

En Van Tuyl wil, zoals hij het noemt, ook «snellere dingen» gaan maken: «Kleinere tentoonstellingen van internationale kunstenaars die voorbij komen en even in Amsterdam zijn. Ze laten een paar weken wat zien, of maken iets nieuws. Het museum moet flexibel zijn om de actualiteit te kunnen volgen.»

De nood is op het moment een deugd. Het tijdelijk onderkomen van het Stedelijk in het robuuste TPG-gebouw maakt dat het museum nu onwillekeurig experimenteel is. Is het Stedelijk aan de Paulus Potterstraat bij uitstek een klassieke museale tempel, het Stedelijk CS is een soort loft. Van Tuyl zegt het zo: «Het Stedelijk CS is een laboratorium , en zo wil ik het ook gaan gebruiken. We zijn ontheemd, we zitten bij wijze van spreken op straat. Dan kun je maar het beste het museum opnieuw gaan uitvinden. Ik hoop dat we hier een aantal dingen weer leren. Dat we een aantal krachten uit het verleden terugvinden.»

Een van die krachten is dat het actuele in het Stedelijk altijd gekoppeld werd aan maatschappelijke betrokkenheid: «Dat zag je in het Stedelijk na de oorlog met Cobra. Toen ging een groep kunstenaars het idee van vrijheid en creativiteit opeens hoog in het vaandel schrijven. De Cobrakunst was tamelijk expliciet verbonden met een utopisch idee van een betere maatschappij. Vaak is dat minder expliciet – kunst moet vooral afstand houden van het direct politieke.

Ik heb ooit een stuk geschreven voor Vrij Nederland over kunst als kritiek en toekomstmuziek, een beetje geïnspireerd door de Frankfurter Schule. Ik had als voorbeeld, uit de literatuur, Sartre en Beckett genomen. In Sartres toneelstukken komen heren op en die praten expliciet over vrijheid en de condities van het menselijk bestaan. Bij Beckett wordt met geen woord over politiek gepraat en toch vind ik dat duizend maal politieker. Als je dat vertaalt naar de beeldende kunst zie je dat ook bij Bruce Nauman en Jeff Wall. Het is zo evident waar het over gaat. Waarom? Omdat het uit de eigen existentie voortkomt. ‹Hier sta ik, en ik kan niet anders.› Kunst moet altijd eerlijk proberen te zijn. Zuiver, in de zin van authentiek. Het gevaar is dat er te veel sociologie sluipt in de kunst, dat de stellingname van buitenaf komt, waardoor het iets educatiefs krijgt. Prekerigheid is funest. Er is niks vervelender dan een tentoonstelling met een boodschap, want die boodschap kun je net zo goed buiten die tentoonstelling formuleren.»

De signalerende, experimentele tentoonstellingen in het Stedelijk CS moeten een houvast gaan bieden voor uitbreiding van de collectie. Dat is, vindt Van Tuyl, nog steeds de primaire taak van een museum: «Het heeft te maken met het collectieve geheugen. Probeer je eens voor te stellen dat er geen Louvre is of Rijksmuseum. Nederland bestaat door schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Al kom je in Phoenix, Arizona, je hebt er een afdeling historische Nederlandse schilderkunst. De collectie is een beetje een bibliotheek: je neemt weer eens een boek van de plank en dat blijkt heel goed te zijn. Maar collectioneren is niet zoiets als shoppen: je gaat naar een galerie en koopt iets. Het is echt heel intensief werk, waarbij je zo lang naar de dingen kijkt tot je weet dat ze goed blijven.»

Juist omdat het museum in zijn ogen vooral ook een schatkamer moet zijn van de ge schiedenis ziet Van Tuyl niets in het idee het Stedelijk te splitsen in een «historisch» mu seum voor 20ste-eeuwse kunst en een museale broedplaats voor 21ste-eeuwse kunst. Stellig: «Dat wordt een beetje een luchtballon. Het zal ook tot schraalheid leiden, want het zou een museum zonder geheugen zijn. Het is een kwestie van liefde dat je aan een zekere continuïteit hecht en niet denkt: nu die, en dan die. Er heerst dan geen trouw, geen trouw aan de kunst. Het klinkt misschien wat oubollig, maar je moet het nieuwe meten aan dingen uit het verleden, zonder daaraan vast te kleven.»

«Je moet», zegt Van Tuyl samenvattend, «niet een soevereine negentiende-eeuwse tempel willen zijn, maar ook geen kermis. Ik denk dat je je vooral moet laten leiden door kunstenaars en naar hoe die met het museum omgaan. Zij veranderen het museum telkens. Zij zetten het museum op losse schroeven. De ambitie moet zijn het verstarde kijken naar de wereld te doorbreken. Mijn vak gaat over kijken, niet alleen naar kunst, maar ook naar de wereld. Dat vind ik de hoofdzaak van het museum: achter het kijken een vraagteken zetten en daar voortdurend beweging in proberen te krijgen. De dingen binnen het museum zijn een soort Versuchsanordnungen, een soort proefopstellingen, die meteen aan onderzoek gekoppeld zijn. Van Vermeer tot Jan Dibbets tot Warhol – kunst biedt modellen om anders naar de wereld te kijken.»

Het klinkt plechtig, en ook wat abstract: het museum als de plek om het kijken in beweging te brengen. Je kunt er ook een heel andere associatie bij hebben: de wetten van de beleveniseconomie die ook op het museum worden toegepast, tentoonstellingen met toeters en bellen en glitterlichtjes om de bezoeker vooral niet te vervelen. Is, vraag ik, die ernstige opvatting – het museum als oord van contemplatie, waar de kunst je blik op de werkelijkheid een tik geeft – in deze tijd nog te handhaven?

«Je probeert natuurlijk ook te verleiden», zegt Van Tuyl. «Je probeert het theater zo in te richten dat je het bezoek inpalmt. Maar je moet special effects, zoals het in de film heet, vermijden. Kunst is geen special effects. Dat is effectbejag. Het is een misverstand om te denken dat je als je massacultuur in het museum laat zien ook de massa het museum binnenhaalt. Ik zou dan ook niet snel videoclips laten zien in het museum – daar moeten mensen maar tv voor kijken. Er zijn grenzen aan wat je in het museum moet willen tonen, al vind ik het heel moeilijk om te zeggen waar de grens precies ligt. Ik denk vooral bij commercie. Kunst is een serieus iets. Kunst biedt tegenwicht tegen alles wat vluchtig is en efemeer.»

Wanneer, wil ik tot slot weten, beschouwt Van Tuyl zijn missie als geslaagd? Wanneer is het Stedelijk Museum in zijn ogen weer succesvol? Hij denkt even na. «Succes, hoe meet je dat?» Hij vervolgt met een droge opsomming: «Hoe een museum ontvangen wordt, hoe het gesitueerd is in de stad. Als je een discussieonderwerp bent in de pers, doordat je controversiële dingen doet. Het aantal bezoekers telt – jaarlijks minimaal zeshonderdduizend is de ambitie. En dan de waardering van de vakwereld.» Even is hij stil. «Op de openingen zijn veel te weinig jonge mensen. Nu verlaag ik de gemiddelde leeftijd zelf ook niet. Amsterdam is een jonge stad. Mijn droom is dat de jeugd binnenstroomt.»

Met medewerking van Koen Kleijn