Geen tijd meer

Ik ben moe van het bang zijn om dood te gaan.

Een tijdje terug was ik van mijn straatvrees af, maar die is weer enigszins terug. Vooral het alleen lopen lukt niet. Met de hond wandelen, of diep in de nacht dicht langs de huizen schuiven, of met z’n tweeën ferm stappen gaat redelijk, maar als ik alleen struin, hoe rustig ook, rennen de gedachten door elkaar heen en willen ze me de keel dichtsnoeren.

Ik heb gefaald en ik heb geen tijd meer, is de gedachte die overheerst. Van alles wat ik heb willen doen heb ik nog geen honderdste gedaan, en de blik waarmee mijn ouders, vooral mijn vader, vanuit het Onbestaande op mij neerkijkt, is er een van grote minachting.

Steeds dat gevoel van: ik kan niks meer goedmaken.

Of is dat geen gevoel?

Waarom denk ik niet: denk dat dan niet?

Waarom valt de dialoog van mijn hersenspinsels constant in mijn nadeel uit? Wie is die rechter die in mijn hersenpan mijn neuronen afluistert en daar een vernietigend dossier over aanlegt en mij tot iets vreselijks veroordeelt?

‘Gaat het goed met je?’
‘Ja, hoor. Prima.’

Onlangs stuurde iemand mij een manuscript op.

Na een paar bladzijden zag ik het gebrek aan talent groter en groter worden. Tegelijkertijd vroeg ik me af: maar wat is dat godverdomse klotetalent dan? Had ik zoveel talent? Ik speelde aardig gitaar (nota bene volgens Eric Clapton, ik was toen zeventien), maar toch ontmoette ik steeds weer jongens die oneindig beter tokkelden dan ik, en dus smeet ik mijn gitaar weg. Ik had geen talent. Met de letterkunde heb ik het langer volgehouden, maar wel enigszins als een oplichter met valse diploma’s. Ik heb mij door alles heen gehumord, geluld, getreiterd, geflirt en verleid. Op mijn talent durfde ik nooit te steunen; als ik keek waar en wat dat was, zag ik niks.

‘Waarom kom je niet naar ons?’
‘Ik wil heel graag, maar ik heb toevallig iets anders.’

'Ik wil niet mee', zeg ik. 'We moeten!' 'Waarheen?' ‘We moeten X even zien. Dat wil Y graag’

Ik heb zo vaak gedacht dat mijn straatvrees een handigheidje van mijn geest was om me thuis te houden teneinde te werken. Maar daar was ik ook verlamd. Weliswaar leed ik in die huiselijke omgeving aan een andere verlamming, maar toch deed ik niet wat ik moest doen en als ik het wel deed, werd het geen succes.

‘Ik wil niet mee’, zei ik.
‘We moeten!’
‘Waarheen?’
‘We moeten X even zien. Dat wil Y graag.’
‘X ligt dood in zijn kist, of in zijn bed, of op hun eettafel, weet ik veel. Waarom wil Y dat we hem zien?’
‘Dat weet ik niet. Dat wil ze nu eenmaal graag.’

En dus wandel ik, stevig gearmd, naar de dood.

Heeft X waargemaakt waartoe hij op aarde was?

Waartoe was hij op aarde? Hij deed zijn plicht, verdiende centjes en heeft daar na zijn pensioen nog tien jaar van genoten. Wat is genieten? In zijn geval: op licht treiterige en verwijtende toon gesprekken voeren met mensen die daar niet om hadden gevraagd. Ook met mij.

‘Hoi, met X, heb je nog een leuk meninkje opgeschreven, of lezen we volgende week weer in extenso dat je uitslag van je eenzaamheid hebt gekregen?’

‘Ha ha ha’, lachte ik. Ik lachte, omdat ik wist dat hij een soort kanker had waaraan hij maar niet stierf.

Wie last van angst heeft, wordt continu vernederd.

Heus.

Trouwens, X lag opgebaard op een koeltafel, zodat hij niet te snel zou bederven.

‘Hoe is het gegaan?’ vraag ik, maar alles in mij schreeuwt dat ik het niet wil horen. Terwijl Y het levenseinde beschrijft, zeg ik in mezelf zo luid mogelijk gedichten op, die trouwens ook over de dood blijken te gaan.

Maar toen ik X zag liggen, was er even geen angst.