Geen troetel-marokkaan

Twee jaar geleden interviewde ik Hafid Bouazza bij verschijning van zijn verhalenbundel De voeten van Abdullah. Bij aanvang liet de debutant weten ogenblikkelijk te zullen gaan kotsen wanneer ik het woord ‘allochtoon’ uitsprak. Door een genetische toevalligheid was hij ter wereld gekomen in Marokko, het grote allochtonenland. ‘Mijn volgende boek speelt gewoon in Nederland’, zei Bouazza, ‘dan zullen ze hopelijk wat minder zeuren over Marokko.’

Twee weken geleden bracht Bouazza de novelle Momo uit. Over een echt - want wit - Nederlands kind in een typisch Nederlands dorp. Aha, de blik van de buitenstaander op Holland. Maar Bouazza groeide vanaf zijn zevende op in een gat als het in Momo geschetste Herfsthoven. Vrij probleemloos, schijnt het.
In de Volkskrant kreeg hij vijftien vragen voorgeschoteld waarvan elf over zijn speciale positie als ‘buitenstaander’. Stuitend voorbeeld: 'Jij gaat niet met Bolkestein in debat?’ Bouazza, aardige jongen, beantwoordt braaf elke vraag en legt steeds rustig uit geen troetel-Marokkaan te willen. En daar gaat het interview dan weer over.
Afgelopen week kwamen de eerste recensies. Ook daar steeds weer: eerst wordt Bouazza alinea’s lang geïntroduceerd als de schrijver die niet zomaar allochtoon wil zijn, en dan komt er een recensie achteraan. Een allochtoon wordt nooit gewoon.