Geen trucs in de mouwen

Het toneelbeeld is een meterslange tafel, ingeklemd tussen twee vierkante, fel rode zuilen. Tegen de achterwand hangt een projectiedoek. De vier acteurs komen op met ieder een veilingkistje. Ze kijken ons brutaal aan. Binnen enkele minuten zijn we in de wereld van Don Quichot, de man die dolende ridder wilde worden, vechter zonder vrees of blaam die in zijn eigen fantasie verstrikt raakt. In zeven kwartier wordt Cervantes’ vuistdikke boek tot een spetterende theatrale vertelling.

Vier jaar geleden deed Tevengebroed datzelfde met de voorstelling Tevengebroed, gebaseerd op Agota Kristofs boek Het dikke schrift. De productie werd een alom bejubelde openbaring in het kleinezalencircuit. De vijf zijn ondertussen naar alle windstreken van het Nederlandse toneel, televisie en film uitgezwermd. Maar om de zoveel tijd willen ze hun gedeelde liefde voor het verhaal blijven uitspelen, en daaraan hebben we nu Bierkaai te danken. De onopgesmukte opkomst is een signaal: deze acteurs willen ons geen kunstjes flikken, ze verbergen - om met Brecht te spreken - geen trucs in hun mouwen. Ze hebben Cervantes doorzocht op hun lievelingen, en die met vaart achter elkaar gemonteerd. We zien daarin twee Don Quichots (Ruben Lürsen en Daniël Boissevain) en twee Sancho Panza’s (Kees Boot en Casper Gimbrère) en gevieren ‘doen’ ze de overige bijrollen. De middelen zijn geleend uit het variété of de poppenkast: een doorrookte stem, een hoofddoekje en zuinig samengegetrokken lipjes, een simpele bontstola, en er staan een waard, een naïeve boerin en een statige hertogin.
De acteurs schakelen schijnbaar moeiteloos van vertelstem naar personage. Alles blijft vederlicht, tot en met het slot: de dood van de onfortuinlijke fantast in de armen van zijn knecht. 'En zo stierf Don Quichot’, is de simpele slotmededeling.
Bierkaai is een voorstelling om op te vreten. De productie vereist echter een grote discipline en enorme concentratie - ik zag een technisch minder geslaagde variant met nogal wat teksthaperingen. De oplossing om sommige verhalende passages vanachter het projectiedoek door te spelen (teneinde onderwijl een verkleding te realiseren) vond ik overbodig. Maar dat zijn kleine smetjes.
Nog zo'n smetje: in de publiciteit over de voorstelling is een merkwaardige tegenstelling opgeroepen (mede door een interview in De Groene van 18 februari) tussen dit soort verteltheater en toneel waarbij een groter beroep wordt gedaan op het denken, het intellect. Ten eerste vind ik het nogal laf om over 'intellectualistisch toneel’ te generaliseren zonder namen te noemen. Wie bedoelen de heren precies als ze spreken over 'cynisme en commentaar’ in het theater? Gerardjan Rijnders misschien, ondertussen de broodheer van twee van hen? JanJoris Lamers? De groep Dood Paard? Overigens is die tegenstelling tussen vertelling en denken op de planken onzin. Iedere goede voorstelling vertelt een sterk verhaal. Brecht, de kampioen van het intellectuele theater, zou Bierkaai prachtig hebben gevonden, juist door de mengeling van amusement, het schaamteloos demonstreren van de binnenkant van een personage en epische kracht.
En je kunt dit echt aan iedereen laten zien. Bierkaai is een pleidooi voor gretig volkstoneel. Toneelgroep Amsterdam zou de voorstelling voor scholen moeten spelen. Het zou een goede grensverschuiving betekenen tussen het zogenaamde jeugdtheater en het zogenaamde theater voor volwassenen. Er is immers uiteindelijk één taal: en dat is de textuur van de sterke vertelling, verbeeld met minimale middelen. Dat genot en die lust biedt Bierkaai volop.