Wat wil de leraar?

Geen uitvoerboer maar onderwijsarchitect

Resultaten dalen, klassen worden naar huis gestuurd. Leerkrachten staken voor meer geld, maar met investeringen zijn de problemen niet zomaar opgelost. Wat kan de onderwijssector zelf doen om het tij te keren?

‘Au! Eu! Ou! Ui!’ leest derdegroeper Joshua ingespannen voor van de geplastificeerde kaartjes die juf Lisa Harrevelt hem bij de deur van het klaslokaal een voor een voorhoudt. Het is tien voor half negen ’s ochtends en donker buiten, Joshua heeft zijn dikke blauwe winterjas nog aan. Harrevelt corrigeert zijn ‘ui’ – een berucht moeilijke klank voor niet-moedertaalsprekers – nadrukkelijk maar vriendelijk. Joshua bootst haar braaf na, krijgt een high five en trekt zijn jas uit. ‘I can’t tell the difference’, zegt zijn Engelstalige moeder lachend. ‘Ik zou dit ook moeten doen.’ Als alle 23 derdegroepers Harrevelts kaartjes met succes gepasseerd zijn, begint de les.

Een kleine twee uur later heeft groep 3 van de Alan Turingschool al gerekend, in een boek gelezen, de juiste schrijfhouding herhaald, de letter g geoefend en ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ gespeeld. Tijdens het eten van een stuk fruit – wie niets bij zich heeft krijgt een appel uit de fruitschaal voor in de klas – zet Harrevelt een filmpje aan op groot scherm en heeft ze even tijd om te praten op de gang. De deur van de klas blijft open, zodat ze een half oog op de kinderen kan houden.

Harrevelt is 29 en staat sinds zes jaar voor de klas, na het afronden van de universitaire pabo. Ze heeft zich in die tijd ontwikkeld tot een expert in ‘expliciete directe instructie’ (edi), de methode die de Alan Turingschool gebruikt bij het onderwijzen van basisvaardigheden als taal en rekenen. edi is wat de meeste mensen als ‘normaal’ onderwijs beschouwen: de leraar geeft uitleg, leerlingen oefenen. Zo ook deze ochtend: de kinderen maken sommen tot twintig op kleine whiteboards, die ze omhoog moeten houden. Harrevelt ziet in een oogopslag wie het uitrekenen van 5+12 nog niet onder de knie heeft; een klein groepje krijgt voor in de klas aan een groepstafel extra uitleg, terwijl de rest zelf verder oefent in een boekje.

In deze kalme groep 3, waar twintig vingers tegelijk de lucht in schieten als de juf vraagt wie er een mooi leesboek heeft, voelt de onderwijscrisis mijlenver weg. Toch staat het Nederlandse onderwijs er niet goed voor: een kwart van de vijftienjarigen dreigt school laaggeletterd te verlaten, en het aantal basisschoolleerlingen dat naar huis gestuurd wordt vanwege het schrijnende personeelstekort neemt per week toe. Leraren staan voor de derde keer binnen een jaar op het Malieveld, om te staken voor structurele investeringen; docenten in het primair onderwijs is vooral de loonkloof – het verschil met hun collega’s op middelbare scholen – een doorn in het oog.

Maar politiek draagvlak voor investeringen ontbreekt: de uitgaven aan onderwijs stijgen al jaren, dus nu moet de sector het zelf maar oplossen door het onderwijs ‘anders te organiseren’, klinkt het vanuit Den Haag. Wat dat precies betekent weet niemand, maar over één ding is iedereen het eens: het veelkoppige monster van het lerarentekort en de dwalende kwaliteit is met een grote zak geld inderdaad niet in één klap verslagen. Ook uit peilingen onder de stille reserve, de grote groep bevoegde leraren die geen les meer geven, blijkt keer op keer dat salaris niet de belangrijkste factor is om hen terug voor de klas te krijgen. De leraar is vooral op zoek naar meer autonomie, ruimte en waardering, terwijl die juist al jaren afkalven.

Meer geld lost dus niet alles op: de sleutel ligt niet alleen bij de politiek, maar ook in de sector zelf. Wat kunnen bestuurders, schoolleiders en leraren doen om het tij te keren? Wat valt er te leren van nieuwe scholen die dingen anders aanpakken? En wat is ‘anders organiseren’ eigenlijk: een welkome omslag in een conservatieve wereld, of een eufemisme voor noodgrepen vanwege het lerarentekort?

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Rosa van Gool over oplossingen voor het lerarentekort en de toekomst van het onderwijs. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Anders organiseren is een dooddoener, vindt Eva Naaijkens, schoolleider en medeoprichter van de Alan Turingschool. Zo anders of revolutionair is haar school, die sinds 2016 bestaat en vaak als goed voorbeeld aangehaald wordt, namelijk helemaal niet. Een kleine vier jaar geleden maakte de zieltogende basisschool De Pool, midden in de Amsterdamse wijk Wittenburg, een doorstart als de Alan Turingschool. Naaijkens leidt de school samen met Martin Bootsma, die ook lesgeeft aan groep 5.

Scholen zouden vooral béter moeten organiseren, vindt Naaijkens, en dat betekent onder meer kiezen: ‘Scholen willen soms heel erg tegemoetkomen aan allerlei randzaken, omdat ze denken dat ze daar de ouders of de leerlingen bij helpen.’ Samen met Bootsma schreef ze een boek met de titel En wat als we nu weer eens gewoon gingen lesgeven?, in 2018 verkozen tot onderwijsboek van het jaar. Het grote verschil met veel andere scholen is dat de Alan Turingschool haar prioriteiten scherp afbakent: taal, rekenen, bewegen, wereldburgerschap, en zo min mogelijk aanbiedt dat daarvan afleidt. ‘We vergaderen amper en elk idee dat de school inkomt, gaat langs een secure meetlat: draagt dit bij aan de verbetering van ons onderwijs?’

Het is niet saai of te weinig ambitieus om je op de kerntaken van het onderwijs te concentreren, is de boodschap van Naaijkens. Ze zoekt kwaliteitsverbetering niet in vernieuwende vormen, maar in vakmanschap: de leraar moet de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen tot expert. Een gemengde groep kinderen goed leren lezen, rekenen, schrijven is binnen de beschikbare tijd namelijk al moeilijk genoeg, zoals ook de landelijk dalende resultaten bewijzen. Bovendien creëert het stellen van prioriteiten en het standaardiseren van processen juist rust en ruimte.

Zo geeft de Alan Turingschool in de ochtend vooral taal- en rekenles, maar werken ze ’s middags aan de hand van thema’s als ‘mijn lijf’ of ‘Europa’ verder aan de vaardigheden en is er ook ‘maakonderwijs’, een moderne versie van handvaardigheid. De school is dus niet ouderwets of uitgekleed, benadrukt de schoolleider. Maar juist als er schoolbrede protocollen bestaan voor omgaan met dyslexie of het organiseren van de kerstviering, hoeft niet iedere leerkracht elk jaar het wiel opnieuw uit te vinden en blijft er meer tijd over voor persoonlijke accenten. ‘Collega’s ervaren standaardiseren niet als beperkend, dat is echt een misvatting: standaarden vergroten juist de autonomie.’

De boodschap van Naaijkens en Bootsma vindt weerklank. Er is een tweede boek op komst, de school ontvangt veel bezoek van geïnteresseerde collega’s en de auteurs zijn graag geziene gastsprekers. In oktober ontving de school van de inspectie het oordeel ‘goed’, de hoogste waardering. Ook Arie Slob, minister voor het funderend onderwijs, prees Naaijkens en Bootsma eerder in De Groene Amsterdammer als ‘het hitteschild’ van hun school, dat de onzinnige activiteiten weghoudt van de leerkracht. Maar waarom krijgt hun aanpak, ondanks alle lof, vooralsnog weinig concrete navolging?

Naaijkens heeft er geen antwoord op, maar oud-stagiair Mia Saric heeft wel een vermoeden: de Alan Turingschool belijdt het adagium van focus op basisvaardigheden niet alleen met de mond, maar de schoolleiding sluit ook echt geen compromissen. Dat vinden andere scholen vaak moeilijk, merkt Saric, die eerder politicologie studeerde en zich via de deeltijd-pabo omschoolde tot leerkracht. Ze werkte daarna kort op een andere Amsterdamse school, waar juist een sterke tendens was om aan te sluiten op de belevingswereld van kinderen. Zo opperde een collega onlangs om de weinig succesvolle leerpleinen – grote open ruimtes, bedoeld om zelfstandig te studeren – in te richten als danslokaal, ‘zodat de kinderen iets doen wat ze wél kunnen’. Hoe nobel het doel, kinderen zelfvertrouwen geven, ook is, op de Alan Turingschool is het ondenkbaar. Naaijkens is ervan overtuigd dat juist uit een sterke basis zelfvertrouwen volgt: ‘Ik zoek de oplossing niet in verscheidenheid, maar in de overeenkomsten.’

Op de Casa-school zitten de kinderen van groep Earth aan lange houten tafels in de lichte aula, ze zijn klaar voor de lunch. Elke groep heeft hier de naam van een planeet; de onderbouwleerlingen van Earth zijn tussen de drie en de zes jaar oud. Op hun bord liggen een plakje kaas, een plakje worst, een hoopje geraspte wortel, sla, tomaat, augurk en komkommer. In het midden van de tafel staan bakken met opengesneden broodjes en ongepelde gekookte eieren. Het is onderdeel van de filosofie van Montessori (‘help mij het zelf te doen’) dat de kinderen, hoe jong ze ook zijn, zo veel mogelijk zelf kiezen. Ook de precieze inhoud van hun broodje gezond bepalen ze dus zelf, al geeft de juf nog wel een goede raad mee: ‘Een broodje is pas gezond als we de groenten erbij doen.’

De luizenmoeder, waarin de directeur en de bestuurder doorlopend onzinnige plannetjes over hun leerkrachten uitstorten, staat niet ver van de realiteit

Casa is een tweetalige montessorischool, waar de leraar juist niet centraal staat maar een begeleider is. ‘Kill the teacher in jezelf’, zegt directeur Tessa Wessels. ‘En ga achter het kind staan.’ Elke klas van ongeveer 45 leerlingen heeft twee leraren tegelijk, van wie het grootste deel van de tijd één Engelstalig en één Nederlandstalig. Soms is er uitleg in kleine groepjes, verder mogen kinderen zelf kiezen waar ze aan werken en begeleiden leerkrachten hen individueel. Niet uit een boekje, maar met de speciale, houten montessorimaterialen. Tussen de laagbouw van de school ligt een idyllische binnenplaats met een kippenren, houten konijnenhokken, een moestuin en een werkplaats. De school bestaat sinds 2011 en is behalve de montessori-aanpak en tweetaligheid ook bijzonder vanwege de ruime openingstijden: Casa gaat maar tien weekdagen per jaar dicht en is tijdens vakanties dus grotendeels open.

Dat doet de school door onderwijs en kinderopvang in één organisatie te integreren. Kinderen kunnen er van acht uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds doorbrengen. Parallel aan het onderwijs door leerkrachten bieden pedagogisch medewerkers ‘buitenschoolse’ activiteiten aan, zoals moestuin, dierverzorging of houtbewerking. Op deze grauwe winterochtend is er door ziekte van een medewerker geen buitenactiviteit, maar twee meisjes uit de middenbouw hebben zelf besloten om zich over de beesten te ontfermen. Ze slepen stro heen en weer over de binnenplaats en voeren de konijnen wortels, waarvan er af en toe een in hun eigen mond verdwijnt.

Aan de extra’s van het Casa-onderwijs, zoals de dieren en het verse eten, hangt een stevig prijskaartje. Behalve de kosten voor kinderopvang – waarvoor altijd betaald moet worden – is er een vrijwillige ouderbijdrage van 1054 euro per jaar. Of zoals Wessels liever zegt: ‘87 euro per maand’, die niet voor het onderwijs gebruikt wordt, maar voor het biologische eten, werkweken en de buitenactiviteiten. Door de hoge ouderbijdrage laten sommige aspecten van het ‘anders organiseren’ van Casa zich moeilijk naar een andere context vertalen; de extra’s creëren ruimte en tijd die in achterstandswijken onhaalbaar is. Zo’n school kan het zich misschien permitteren om de wettelijke kerndoelen te benaderen als minimumeis – volgens Wessels niet meer dan dertig procent van wat een kind in de beschikbare tijd kan leren – maar hoe reëel is dat voor scholen waar het nu al niet of nauwelijks lukt om de basis op peil te krijgen? Ook op Casa is het trouwens niet altijd een vanzelfsprekendheid; de school kreeg in 2016 nog kritiek van de inspectie op het niveau van cognitieve vaardigheden zoals spelling en begrijpend lezen. Sindsdien zijn de resultaten van de eindtoets sterk verbeterd, de afgelopen twee jaar tot bovengemiddeld.

Maar vooral in de ruime openingstijden zou de school een inspiratie kunnen zijn: daardoor wordt onderwijstijd beter verspreid over de dag en het jaar. Die spreiding is mogelijk doordat de school geldstromen voor onderwijs en naschoolse opvang samenbrengt; een concept dat eerder al bestond in Zandvoort. Daar werd in 2008 De School opgericht. Deze organisatie stopt, anders dan Casa dat uit twee stichtingen bestaat, zelfs alles in één pot, waaruit alleen leerkrachten – dus geen pedagogisch medewerkers – worden betaald. De School biedt zo 2500 uur per jaar flexibel onderwijs aan, terwijl maar 940 uur verplicht is. De extra tijd geeft speling en voorkomt volgens oprichter en oud-directeur Marjolein Ploegman veel problemen, zoals zittenblijven, onnodige ontwikkelingsachterstand en uitstroom naar speciaal onderwijs: wie in mei een maand ziek is, kan in augustus naar school. Leraren werken volgens een werkrooster en nemen in overleg vakantie op, net als buiten het onderwijs; ze hebben door de dunnere spreiding van hun uren over het jaar minder weken vakantie, maar ook veel minder volle werkweken dan gebruikelijk. Ook De School vraagt een hoge vrijwillige ouderbijdrage – vijfhonderd euro per jaar – die gebruikt wordt voor persoonlijke leerplannen en excursies.

Ondanks positieve inspectieoordelen en goede pers heeft ook dit concept geen navolging gekregen. ‘In die zin vind ik het niet succesvol’, oordeelt Ploegman streng over haar eigen uitvinding. Het doel was om hardnekkige onderwijsproblemen op te lossen met meer tijd en meer zeggenschap, van leerkrachten, leerlingen en ouders. Er zijn weliswaar steeds meer scholen die onder één dak zitten met een kinderopvang en een buitenschoolse opvang – zogenaamde ‘integrale kindcentra’ – maar er bestaan nog steeds heel weinig organisaties die de voorzieningen volledig integreren, zoals Casa en De School, om zo de versnippering tussen onderwijs, kinderopvang, buitenschoolse opvang en zorg tegen te gaan. Het probleem is dat niemand verantwoordelijk is voor het geheel, zegt Ploegman: ‘Niemand is eigenaar van die paraplu.’

Toen D66-Kamerlid Jan Paternotte in 2014 lijsttrekker voor de Amsterdamse gemeenteraad was, begon hij optimistisch aan een belrondje langs scholen. Hij wilde van hen horen waaraan zij de extra investering van driehonderd miljoen hadden besteed die het kabinet-Rutte II eind 2013 met steun van d66had vrijgemaakt. Kan ik mooi voor de campagne gebruiken, dacht Paternotte. Totdat hij de reactie van de scholen hoorde: welk geld? Alleen eenpitters hadden er iets van gemerkt; voor de andere scholen was de investering op bestuursniveau ongemerkt versmolten met de rest van de lumpsum.

Paternotte vertelt de anekdote op een discussieavond in Alkmaar, waar hij samen met collega Paul van Meenen op schoolbezoek is in het kader van hun scholenreis, een reeks van twintig avonden door het land. Vanavond heeft ook fractievoorzitter Rob Jetten zich aangesloten. ‘Het is de eerste keer dat ik met Jan en Paul mee mag’, zegt hij met zijn kenmerkende opgewektheid tegen het publiek van een kleine dertig man, voornamelijk leraren en schoolbestuurders. Dan begint hij te vertellen over zijn vader, die afgelopen zomer na veertig jaar in het beroepsonderwijs met pensioen ging.

Onderwijspartij d66 is op zoek naar een nieuw verhaal. Over een paar maanden moet er een verkiezingsprogramma gepresenteerd worden, en hoewel Jetten en onderwijswoordvoerder Van Meenen meermaals benadrukken dat Rutte III de grootste onderwijsinvestering in jaren doet, weten ook zij dat hun achterban onmogelijk tevreden kan zijn over deze kabinetsperiode. Zijn coalitiepartners zien het onderwijs als ‘een gat dat geld opzuigt’, verklaart Jetten, die voor het dichten van de loonkloof tussen basis- en voortgezet onderwijs is, maar er geen politiek draagvlak voor ziet. Het imago van bodemloze put, dat niet alleen in politiek Den Haag leeft, is niet geheel onbegrijpelijk gezien het feit dat de rijksbijdrage per leerling inderdaad al jaren stijgt. Ook als percentage van het bbp is het onderwijsbudget de afgelopen twintig jaar licht gestegen.

Het probleem is dat de klas er weinig van merkt. Daarom ligt de bal om anders te organiseren op dit moment eerder bij bestuurders dan bij de scholen, vindt Jeroen Goes. Hij is sinds twee jaar bestuursvoorzitter van onderwijskoepel Fluvium, waar twintig basisscholen in de Betuwe onder vallen. Goes is een van de weinige bestuurders die zich via blogs en sociale media nadrukkelijk mengt in onderwijsdebatten, waar besturen het vaak moeten ontgelden. Zo sprak Bastiaan Bommeljé onlangs in de Volkskrant van een ‘schimmellaag waarin ideeën en belangen volledig zijn verknoopt’ en pleit economiedocent en onderwijsauteur Ton van Haperen voor ‘een bom op het onderwijs’ – volgens hem de enige manier om die verdraaide bestuurslaag te lozen.

Goes is genuanceerder, maar ook hij is kritisch op zijn eigen kaste. Toen de voormalig leraar en schoolleider aantrad als bestuurder was zijn ondersteunende stafbureau anderhalf keer zo groot als nu. Sindsdien zijn drie stafmedewerkers en zijn collega-bestuurder vertrokken en niet opgevolgd. Dat komt neer op een structurele bezuiniging van 170.000 euro per jaar, het equivalent van drie leerkrachten, vertelt hij trots. De inspectie oordeelde onlangs positief over het Fluvium-bestuur, dus de ‘afslankkuur’ heeft niet tot kwaliteitsverlies geleid. Er zijn veel meer besturen die wel wat kilo’s kwijt kunnen, vermoedt Goes, maar er is nu te weinig toezicht en duidelijke kaders ontbreken: ‘Als ik bij mijn aantreden had gevraagd om meer mensen, had ik die 170.000 euro erbij gekregen en zaten we nu met acht man in plaats van drie.’

Paternotte’s voorbeeld van in de lumpsum versmolten investeringen is voor velen herkenbaar; ook de grote reserves in het primair onderwijs zijn berucht en worden door de inspectie onderzocht. Er is de laatste jaren één positieve uitzondering, van geld dat wel goed op schoolniveau geland is: de werkdrukmiddelen. Die kwamen in 2017 los na massale demonstraties door de grassrootsbeweging PO in actie. In het akkoord werd opgenomen dat de zeggenschap over het extra geld niet bij besturen of schoolleiders, maar bij de lerarenteams lag. Zo werd het in overleg besteed aan concrete noden als schoonmaak, een extra conciërge, een onderwijsassistent of een halve leerkracht.

De les van de werkdrukmiddelen? Leg het geld lager neer, zeggen de Kamerleden van d66. Van Meenen kondigt aan dat hij bezig is met een wetsvoorstel om de volgorde om te draaien: laat scholen eerst hun onderwijs inrichten en geef wat overblijft aan besturen, die daar vervolgens de inkoop van printers, de personeelsfunctionaris, de salarisadministratie, enzovoort van betalen. Kortom: dwing besturen terug tot hun faciliterende rol, waarvoor ze bedoeld zijn. Het idee valt op de avond in Alkmaar slecht bij de aanwezige bestuurders. ‘Waarom moet het zo negatief?’ vraagt een van hen zich af. Van Meenen, fel: ‘Waarom is dit negatief? Onderwijs is er niet voor besturen, maar voor kinderen.’

In de centrale hal van het Tweede Kamergebouw staat op een namiddag in december een groepje dat door hun alledaagse kleding uit de toon valt tussen de haastige voorlichters in pak. Ouders, leerkrachten, schoolleiders en bestuurders van de Stichting Westelijke Tuinsteden wachten bij de grote kerstboom tot ze door een pvda-medewerker opgehaald worden. Ze komen op uitnodiging van die partij de resultaten van hun Week van de Onderwijskwaliteit presenteren. De zestien Amsterdamse basisscholen sloten half december een week lang de deuren vanwege de zogenaamde ‘wok-week’, waarin bestuurders, leerkrachten en ouders samen op zoek gingen naar oplossingen voor het lerarentekort.

Vier partijen komen vandaag luisteren naar hun bevindingen: GroenLinks, SP, pvda, en namens de coalitie alleen d66, tot teleurstelling van de Amsterdamse delegatie. In het gesprek dat volgt, waaieren de aanbevelingen veel kanten op: het opknippen van de pabo in aparte richtingen voor onder- en bovenbouw, meer professionele ruimte, het dichten van de loonkloof, het onderwijs één dag per week door de lokale ‘community’ laten overnemen.

Het is aan leerkrachten om hun vak terug te claimen en weer zelf te bepalen hoe ze de doelen met hun leerlingen zo goed mogelijk kunnen bereiken

‘Aan welke knoppen kunnen wij als politici draaien?’ vraagt Peter Kwint van de SP zich halverwege vertwijfeld af. Een duidelijk antwoord komt er niet. Lisa Westerveld van GroenLinks vindt het ‘ingewikkeld wat ze meeneemt’ van de bijeenkomst; echt nieuwe verhalen heeft ze niet gehoord. Het tafereel is exemplarisch voor de verlamde toestand waarin het onderwijs zich bevindt: op deze scholen is de nood zo hoog dat niemand meer lijkt te weten waar te beginnen met het ontwarren van de kluwen.

Een paar weken later kondigt de Stichting Westelijke Tuinsteden aan dat ze na de zomer overstappen op een vierdaagse lesweek, waarbij de vijfde dag door externe partijen met andere activiteiten gevuld wordt. ‘Als we op school bijvoorbeeld het thema winter hebben, kan iemand anders dan de leerkracht heel goed schaatsles geven’, zegt bestuursvoorzitter Joke Middelbeek tegen lokale zender at5. Volgens haar leidt het niet tot verschraling, omdat de leerkracht ‘de professionals uit de wijk integreert en zicht houdt op de inhoud van de lessen’. Van de nood een deugd maken is een lovenswaardig streven, maar is het echt mogelijk zonder kwaliteit in te leveren?

‘Ieder schooljaar zijn er ongeveer 25 leerlingen jarig in een klas. Als ouders op woensdagochtend dat verjaardagsfeestje gaan vieren, noemen we dat onderwijs door onbevoegden’, schrijft Eva Naaijkens cynisch op Twitter als de plannen bekend worden. ‘Het is leuk, goedkoop, verbinding met de community en einde lerarentekort.’

‘Ministerie denkt na over megaklas met assistenten’, kopte het Onderwijsblad begin vorig jaar. De vakbonden waarschuwen er regelmatig voor; pas op dat ‘anders organiseren’ niet dient als excuus voor politici en bestuurders om ordinaire bezuinigingen door te voeren en de klassen (die in Nederland al niet klein zijn) nog verder te vergroten: één docent op zestig leerlingen, een paar onderwijsassistenten erbij, en je bent goedkoop klaar.

Op basisschool De Pionier in Leiden zien ze dat risico niet zo. De school kiest bewust voor het door de vakbond zo verafschuwde ‘unitonderwijs’; grote groepen met meerdere jaarlagen door elkaar. ‘We doen dit vanuit onze visie, niet vanwege het lerarentekort’, benadrukt schoolleider Leon Plomp terwijl we door de school lopen. En ondanks de grote groepen hebben hun leerkrachten, net als op Casa in Pijnacker, relatief evenveel leerlingen; in feite staan er twee docenten in een dubbele klas. Plomp heeft tot nu toe geen moeite om vacatures te vervullen; leraren vinden de in januari 2017 opgerichte school juist interessant vanwege de ruimte die docenten er krijgen. Alleen invallers zijn, zoals overal, moeilijk te krijgen; vandaag kon de invaljuf alleen komen als ze haar zoontje mee mocht nemen, dus in het kantoor naast haar lokaal ligt een peuter te slapen in een kampeerbedje.

In unit 1 werken juf Corine en juf Laura ieder in hun eigen helft. De unit bestaat uit twee lokalen waarvan de tussenmuur doorgebroken is. Gekleurde grenzen op de grond verdelen de ruimte in drie zones: de stiltezone, de fluisterzone en de praatzone. De kinderen hebben de leeftijd van groep 1, 2, en 3, al probeert de school die termen steeds meer te vermijden. Terwijl groep 3 in de ene hoek bij het smartboard de woorden van juf Corine (‘jeuk’ en ‘zout’) overschrijft op kleine whiteboards, verkleden de kleuters zich aan de andere kant in prinsessenjurken en ridderoutfits. Kinderen lopen door elkaar heen met laatjes, speelgoed en boeken; op de buitenstaander komt het over als een georganiseerde chaos.

Je vraagt in dit type onderwijs veel van je docenten, erkent Plomp, zeker op het gebied van klassenmanagement en differentiëren. ‘Je wordt aangesproken op je vakmanschap. Je bent hier geen lesboer.’ Hij moedigt zijn leraren aan om zich verder in een vak te specialiseren en die kennis weer met collega’s te delen. Ook zoekt De Pionier actief naar samenwerking met de wijk en ouders. Zo wordt er op het leerplein op de bovenverdieping een keuken gebouwd, waar een vader met een cateringbedrijf kinderen gaat leren koken. Je moet goed nadenken over hoe je zulke dingen vormgeeft, realiseert Plomp zich. Een middagje pepernoten bakken met ouders is leuk, maar heeft niet zoveel zin; kinderen leren om goed en gezond voor zichzelf te koken dient wel een doel.

‘Dit is je oude weektaak, ga maar een nieuwe halen’, zegt juf Corine tegen derdegroeper Stan, die ontsteld naar het blaadje in zijn multomap kijkt, waarop hij net het tekenen van een kasteel ingepland had. Hij moet op zoek naar een nieuw weektaakblad. De juf is alweer bezig met een andere klasgenoot, die op de iPad zit. ‘Daan, laat eens zien wat je aan het doen bent?’ Hij draait het scherm naar haar toe, de juf steekt haar duim op. Dit systeem vraagt niet alleen veel van leraren, maar ook van kinderen; een zekere mate van onverstoorbaarheid, zelfstandigheid en zelfdiscipline.

Op het leerplein speelt een medewerker van het zorgteam – dat op De Pionier ‘succesteam’ heet – een potje monopoly met een leerling uit unit 2 (groep 4/5/6). De leerling komt van een andere school en is een ‘puzzelkind’, zucht Plomp. Als je een traditioneel systeem gewend bent, is het moeilijk aanpassen op dit type onderwijs; daarom neemt de school nu alleen nog kinderen aan die vanaf vierjarige leeftijd instromen in unit 1. De Pionier bestaat nog te kort om iets over resultaten te zeggen, maar houdt de voortgang van de kinderen goed in de gaten via tussentoetsen; de school wil vernieuwend werken, maar niet met kinderen experimenteren.

‘Leraren zijn niet meer gewend om zelf na te denken’, zegt leerkracht Debbie Dussel. Ze werkt op basisschool Bijlmerhorst in Amsterdam-Zuidoost en is van dezelfde stroming als de Alan Turingschool: ze wil haar kinderen een zo sterk mogelijke basis in rekenen en taal meegeven, zodat ze op hoog niveau naar de middelbare school gaan. Ja, ze gaat staken voor het dichten van de loonkloof, maar Dussel vindt dat leraren zelf ook een verantwoordelijkheid hebben die ze serieuzer moeten nemen. Daarin worden ze weinig gestimuleerd, na decennia waarin besturen en schoolleiders uitgebreide visies produceerden die het lerarenteam vervolgens moest uitvoeren. Zo ver staat tv-serie De luizenmoeder, waarin directeur Anton en bestuurder Pjotr-Jan doorlopend onzinnige plannetjes over hun leerkrachten uitstorten, helaas niet van de werkelijkheid af.

Zelf begon Dussel als onderwijsassistent bij jonge kinderen. Daarna volgde ze in deeltijd de pabo en haalde uiteindelijk een hbo-master Special Education Needs. Maar pas een paar jaar geleden, toen ze al lang en breed leraar was, keek ze voor het eerst in de wet: wat zijn nou eigenlijk officieel mijn taken? Tot haar verbazing was dat veel minder dan ze altijd gedacht had. Vanaf dat moment begon ze zich te verdiepen: in de wetenschap over leren, in de inhoud van verschillende vakken, en in onderwijspolitiek en besluitvorming. Discussies over slofjes dragen of het Sinterklaas-thema moesten maar even wijken.

Mensen vergeten nog weleens dat basisschoolleraren generalisten zijn, die van heel veel onderwerpen iets moeten weten. ‘Als je oppervlakkige kennis en weinig tijd hebt, ga je de methode afdraaien.’ Spreek mensen dus aan op hun intelligentie en geef ze tijd en prikkels om kennis te verdiepen, zegt Dussel. Zo maak je het vak niet alleen weer aantrekkelijk voor slimme jonge mensen, maar win je misschien ook een deel van de grote stille reserve terug. Haar school had last van het lerarentekort, maar sinds de school beter georganiseerd is, het team meer samenwerkt en de ambities afgebakend zijn, hebben ze geen vacatures meer.

Want hoe verschillend de voorbeelden van ‘anders organiseren’ ook zijn, de overeenkomst is dat ze ruimte maken voor de inbreng van de leraar. Over wat vervolgens de juiste inbreng is, verschillen de meningen sterk. ‘Er zijn twee stromingen in het onderwijs’, zei leerkracht Marcel Schmeier onlangs in het Kamerdebat over het nieuwe curriculum. ‘Mensen die les willen geven in klaslokalen en mensen die talenten willen ontwikkelen op leerpleinen.’ Dat is uiteraard te simpel voorgesteld, maar in zekere zin ook nog te rooskleurig over de mate van eenheid. In werkelijkheid bestaan er meer kloven, langs organisatorische, pedagogische en didactische breuklijnen. Moet onderwijs zich concentreren op de kerndoelen of vooral de interesses van kinderen volgen? Moeten school en naschoolse opvang in elkaar overlopen? Welke vraagstukken van opvoeding en zorg horen nog op school thuis? Dat er ook zestien miljoen onderwijsexperts van buiten het onderwijs meepraten – iedereen heeft er ervaring mee en dus een mening over – maakt het debat niet makkelijker. De diversiteit van het onderwijs maakt het voor het veld moeilijk zich naar buiten toe als een front te presenteren. Waar de een units ziet als een gevaarlijk opstapje naar bezuinigen, of ‘anders organiseren’ per definitie als het inleveren van onderwijskwaliteit, beschouwt de ander het als een bevrijding van ouderwetse ketenen of overbodige vergaderingen. Scholen denken vaak niet eens hetzelfde over hun doel, laat staan over een methode, curriculum of de oplossingen voor de huidige crisis.

Jan van de Ven, die er een paar jaar geleden wel in slaagde om het basisonderwijs te verenigen achter PO in actie, werkt nu samen met medeoprichter Thijs Roovers aan een beroepsvereniging voor leraren. In een poging de succesformule van toen te kopiëren, spraken Roovers en Van de Ven met honderden collega’s. Ze zijn nu druk bezig met de oprichting van hun Lerarencollectief, maar de ontwikkeling verloopt minder stormachtig dan die van PO in actie. ‘Als je in een lerarenkamer “eerlijk salaris en minder werkdruk” roept, staat iedereen op en loopt in polonaise achter je aan’, verklaart Van de Ven. Een beroepsvereniging over de onderwijsinhoudelijke kant van het beroep is ingewikkelder.

Maar hoe ingewikkeld het debat soms ook wordt, zo simpel is het tegelijkertijd ook: als je het onderwijs van alle franje stript, houd je uiteindelijk een leraar en een klas over. De positieve voorbeelden van ‘anders organiseren’, die tot nu toe geen moeite hebben om goed opgeleide enthousiaste leraren te vinden, kennen één gemeenschappelijke deler; leerkrachten krijgen ruimte en inspraak, en nemen de grote verantwoordelijkheid die erbij hoort dan graag op zich. Elk van de scholen richt zich er op hun manier op om de expertise van de leraar te vergroten. Daar ligt een opdracht voor alle schoolleiders en besturen, die er tenslotte zijn om leraren te ondersteunen in het zo goed mogelijk uitvoeren van hun wettelijke taak. Alles wat daar niet direct aan bijdraagt, leidt in het beste geval tot ruis en vaak tot slecht werkgeverschap.

Anders organiseren hoeft niet te betekenen dat de hele school plotseling omgegooid wordt: het kan ook al genoeg zijn om meer samen te werken, duidelijke prioriteiten te stellen en leerkrachten zo tijd te geven om lessen te maken en zich te verdiepen. Ook als dat betekent dat daar een extra activiteit voor moet sneuvelen. Het is aan leerkrachten om hun vak terug te claimen en weer zelf te bepalen hoe ze de doelen met hun leerlingen zo goed mogelijk kunnen bereiken. Van de Ven: ‘Leraren zijn geen uitvoerboeren, maar architecten van onderwijs.’


De namen van de leerlingen zijn om privacyredenen veranderd

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.