Jongeren vormen de islam naar eigen inzicht

Geen verjaardagsfeestjes meer in McDonald’s

Het is niet verwonderlijk dat we weinig islam horen bij demonstraties in Egypte. De samenleving is er al van doortrokken. De vraag is hoe deze religie een rol zal spelen in de nieuwe democratie.

Vanuit westerse optiek lijkt de Arabische wereld vooral tegenstrijdige signalen af te geven. Al decennia scoren de landen in het Midden-Oosten het hoogst op de wereldranglijst als het gaat om de roep om democratie, maar tegelijkertijd voeren ze de lijst aan van meest ondemocratische landen. En uit een recent onderzoek van Gallup blijkt dat ‘democratie’ en 'sharia’ de twee waarden zijn die Arabieren het hoogst aanschrijven. Hoe valt dit te rijmen? En hoe moeten we dan de recente gebeurtenissen in Tunesië en Egypte interpreteren, waar de democratie leek te zegevieren maar we nauwelijks iets hoorden over de islam? Betekent dat dat de 'democratie’ is afgevinkt, en we nu moeten wachten op 'sharia’? De sleutel ligt bij degenen die de demonstraties hebben geïnitieerd: de jeugd.
De bevolking van de Arabische wereld is al enkele decennia zeer jong: per Arabisch land is zeker de helft van de bevolking jonger dan 25 jaar. En dankzij het onderwijs, waar gedurende de jaren vijftig en zestig zwaar in is geïnvesteerd, zijn zij ook mondig. De sprong binnen een enkele generatie van analfabete plattelanders naar gestudeerde stedelingen heeft enorme gevolgen gehad. Het gaat er niet om dat deze jongeren noodzakelijkerwijs hoog zijn opgeleid of dat het onderwijs naar westerse maatstaven iets voorstelt; hun opleiding is in ieder geval beter dan die van de vorige generatie, en dat schept verwachtingen. Het maakt de jeugd veeleisend en eigenwijs. Zij verwacht dat de arbeidsmarkt haar met open armen opwacht; de economische crisis en werkloosheid komt dan als een enorme slag.
Maar ook het gevoel voor autoriteit is bij de jongeren veranderd: zij nemen het woord van de geestelijkheid of van de overheid niet meer voetstoots aan. Met name de geestelijkheid heeft het moeten ontgelden. Niet zozeer omdat de jeugd niets van de islam moet hebben. Integendeel, zij is veel islamitischer dan de vorige generatie. Maar jongeren vinden dat die generatie de islam te weinig onderdeel liet uitmaken van het dagelijks leven.
De islamisten - dat zijn de moslims die de islam een politieke en maatschappelijke rol willen geven - zijn niet de schriftgeleerden en imams, maar jonge advocaten en ingenieurs. Werkloos en armoedig, dat wel, maar vol vuur over de nieuwe orde die zou moeten komen. 'Lompenintelligentsia’ noemde een wetenschapper hen, met een knipoog naar het 'lompenproletariaat’ van de communistische arbeiders.
Deze jonge islamisten maakten zich de islam eigen, en vormden die naar eigen inzichten, vaak tot afgrijzen van de geleerden die met leedwezen zagen hoe dertien eeuwen theologische wetenschap naar de prullenbak werd verwezen. Optimisten spreken over een reformatie van de islam, pessimisten over het misbruiken van een religie voor eigen doeleinden. Maar voor ons is van belang vast te stellen dat een generatie het heft in handen neemt, en eist zelf te mogen denken over islam.
Een zelfde eigenwijsheid doet zich ook voor ten aanzien van de overheid. Waar Arabieren voorheen misschien deemoedig de schouders ophaalden over malversaties van de overheid, wordt nu tandenknarsend aangezien hoe de Arabische regimes zich verrijken in naam van het volk. Anders dan bij de religie was hier echter weinig aan te doen: de geheime diensten zagen daarop toe.
Maar dat ontnam de nieuwe generatie niet de mogelijkheid om kennis te nemen van allerlei nieuwe opvattingen en politieke buzzwords die de wereld rondgingen, zoals democratie, goed bestuur, transparantie, maatschappelijk middenveld, medezeggenschap. De jongeren luisterden, keken, googelden, discussieerden en sloegen alles op. Het wachten was op de vonk.
Bij westerse landen en Arabische regimes bestond echter grote vrees dat deze vonk een islamitisch kruitvat zou ontsteken. Sinds de jaren zeventig trok immers een golf van islamisering door de Arabische wereld. Zou dat de voorhoede kunnen zijn voor een nieuwe Iraanse revolutie? Wellicht. Maar die vrees lijkt onterecht: die revolutie heeft zich namelijk grotendeels al voltrokken. Zonder geweld weliswaar, maar daarom niet minder ingrijpend. In de afgelopen dertig jaar heeft in alle Arabische landen een proces van intensieve islamisering plaatsgevonden, zowel op staatsniveau als op straat.
Op staatsniveau hebben de islam en haar regels - de sharia - in veel Arabische landen een plek gekregen in de grondwet en andere wetgeving. Toen de Moslimbroederschap tijdens de Egyptische protestdemonstraties was gevraagd plaats te nemen aan de onderhandelingstafel van de 'Nationale Dialoog’ om te spreken over hervorming van de grondwet, stelden diverse media de vraag of er nu een kans was dat de sharia ingevoerd zou worden. Maar die is er in Egypte al sinds 1982, met de grondwetswijziging die bepaalt dat alle wetgeving moet voldoen aan 'de bepalingen van de islamitische sharia’. Soortgelijke bepalingen gelden ook in andere Arabische landen.
Ingrijpender dan de wetgeving is echter de islamisering op straatniveau of, zoals dat zo mooi heet, in de openbare ruimte. De persoonlijke islamisering van individuele moslims vindt namelijk niet alleen plaats in de privé-sfeer, maar in toenemende mate ook in de openbare ruimte. De hoofddoek was in de jaren tachtig een zeldzaamheid, maar domineert nu het straatbeeld. Inmiddels is ook de niqaab daar een normaal verschijnsel geworden.
De islamisering was vooral populair onder de hoger opgeleide jongeren en is via hen nu ook doorgesijpeld naar de nieuwe middenklasse. Tot tien jaar geleden vierden zij de verjaardagsfeestjes van hun kinderen in de McDonalds, nu huren zij een schriftgeleerde in. Het 'goedendag’ van vroeger is vervangen door 'salam aleikum’, en het aftreden van Moebarak werd met een juichend 'Allahu akbar’ begroet - termen die je tien tot twintig jaar geleden niet hoorde.
Het gaat echter niet alleen om spraak, kleding en devotie. De Moslim Broeders hebben een belangrijk deel van hun populariteit te danken aan het leveren van sociale diensten, waar de overheid nalatig in was. Financiële hulpverlening door kleine leningen, medische klinieken, huiswerkbegeleiding: allemaal liefdadigheid, maar natuurlijk wel met een duidelijk islamitische agenda.
De islamisering voldoet zeker in een spirituele en maatschappelijke behoefte, maar heeft ook een keerzijde. De islam is tegenwoordig zo dominant aanwezig dat degenen die daar niets van moeten hebben, of daar kritisch over zijn, makkelijk in de problemen kunnen raken.

Als zowel een land als haar regime en bevolking al doortrokken zijn van de islam, is het niet zo verwonderlijk dat we weinig islam horen bij demonstraties in Egypte. Anders dan in Iran, waar islam juist het wapen was dat tegen een strikt seculier regime werd ingezet, is islam in Egypte een waarde die demonstranten en het regime delen. Dat geldt inmiddels in de meeste Arabische landen. De waarde die beide zijden niet delen, is die van democratie. Dáár gaan de mensen de straat voor op. Men hoeft niet te strijden voor de islam, of in naam van de islam, want die is er al.
Dat is allemaal mooi, maar wat voor democratie wil men dan? Wat kunnen wij na deze hoopvolle revoltes verwachten? Anders dan bij de Iraanse revolutie, waar de demonstranten werkelijk geen idee hadden wat voor samenleving zij wilden nadat de sjah verdreven zou zijn - een naïviteit waar Khomeini dankbaar gebruik van heeft gemaakt - hebben de Arabische jongeren hierover al uitgebreid van gedachten gewisseld. Niet dat er een duidelijk eindoordeel is uitgerold, maar met name op internet hebben de islamitische jongeren al jarenlang uitgebreide discussie gevoerd over democratie, mensenrechten en de rol van islam daarin.
De uitkomst stemt hoopvol, maar is voor de westerling, en met name voor de West-Europeaan, wellicht wat verwarrend. Enerzijds wordt uitgegaan van een diepgewortelde religiositeit in de samenleving, iets wat voor de gemiddelde Amerikaan wellicht herkenbaar is, maar niet voor de Europeaan. Anderzijds is er het systeem volgens welke een land bestuurd moet worden. Hierover blijkt de islam volgens de islamisten veel te zeggen te hebben. En daar wordt het voor westerlingen echt verwarrend. Want er wordt hard geroepen dat islam tegen democratie is. Maar veel islamisten - ik vermoed de overgrote meerderheid - zullen beweren dat islam en democratie verenigbaar zijn. Wat moeten we daarmee?
De tegenstanders zijn er in twee soorten: sommigen behoren tot de strikt orthodoxen die, net als hun joodse en christelijke collega’s, menen dat alle wetgeving toebehoort aan God en menselijke regelgeving daarmee strijdig is. Anderen menen dat mensen wel degelijk hun eigen zaakjes mogen regelen, maar dat de manier waarop dat nu gebeurt in de Arabische wereld niet meer is dan de willekeur van het regime. En die willekeur noemt het regime 'democratie’, die zij laat schragen door verkiezingen waarvan iedereen weet dat ze frauduleus zijn, maar die elke keer weer door het Westen worden erkend als democratisch. Die vorm van democratie, die gelijk staat aan willekeur, daar is de islam dus fel op tegen.
Maar kan men diepgelovig moslim zijn en tegelijkertijd leven in een democratische rechtsstaat? Natuurlijk, roepen de jonge islamisten op hun websites en blogs. Dát is nu islam. En dat is wat we willen en waar we de straat voor opgaan. Misschien zijn deze mensen naïef, omdat ze menen dat er een seculier systeem kan bestaan voor een diepgelovige maatschappij, maar in Amerika kan dat toch ook?
Bij die roep om democratie is in de Arabische wereld meer aan de hand. En weer speelt het jeugdelement een rol. Ditmaal niet zozeer de jonge leeftijd van de demonstranten, maar van de landen zelf. De Arabische landen zijn nog niet zo lang onafhankelijk, en zijn sinds die tijd voornamelijk geregeerd door regimes die zich bij voorkeur voordoen als een patriarchaal systeem dat het beste voor heeft met het volk.
De laatste speech van Moebarak, waarin hij tot ieders verrassing mededeelde niet te zullen aftreden, was hier een typisch voorbeeld van. Hij sloeg de toon aan van de bezorgde, meelijdende maar ook ferme vader. Dat hij hiermee de plank zo volledig missloeg, was een duidelijk signaal voor de kenterende verhoudingen tussen volk en regime. De sterke vaderlandslievendheid van de Arabieren vertaalt zich nu in een roep om toe-eigening van het land door het volk zelf: Hey dude, what are you doing to my country?! Het is het einde van een semi-feodaal systeem waarbij een regime zich gedraagt alsof het land van hem is, en weliswaar tot taak heeft voor het volk te zorgen, maar tevens het recht heeft te profiteren van dat land.
De recente geschiedenis van de Arabische wereld wordt altijd voorgesteld als een opeenvolging van experimenten: nationalisme, socialisme, islamisme en democratie. De veronderstelling is dat het een wordt vervangen door het ander. Terwijl het een juist wordt opgeslokt door het ander, en er dus deel van is gaan uitmaken. Het is niet of-of, maar en-en. De ontwikkelingen die wij nu waarnemen in de Arabische wereld wijzen op vormen van democratisering, maar hebben tevens sterke socialistische, islamitische en nationalistische elementen. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De vraag is dus niet of islam een rol zal spelen in de nieuwe democratie, maar hoe.

Maurits Berger is hoogleraar islam in het hedendaagse Westen aan de Universiteit Leiden en verbonden aan Instituut Clingendael