H.J.A. Hofland

Geen verlenging

Toen vorig jaar werd besloten dat er een militaire missie naar Uruzgan zou worden gestuurd, geloofden de meeste Nederlanders dat het weer een van onze befaamde vredesmissies zou worden: bruggen en scholen bouwen, wegen aanleggen, ‘op sociale patrouille gaan’, zoals het in Irak werd genoemd. In ‘onze’ provincie werden de lakens uitgedeeld door een Afghaanse gouverneur die in de ogen van Den Haag niet deugde. Minister Bot praatte met president Karzai. De man werd vervangen. Het zag er veelbelovend uit. Dit zou geen vechtmissie worden.

Omstreeks dezelfde tijd verschenen de eerste berichten dat de Taliban zich hergroepeerden. ‘Er zullen Nederlandse soldaten sneuvelen in Uruzgan’, zei kolonel Otto van Wiggen ongeveer een jaar geleden. Hij had toen al ervaring als commandant in Kandahar.

Toen werd gemeld dat de Taliban zich voorbereidden op een voorjaarsoffensief. De publieke opinie werd er nader op voorbereid dat de vredesmissie wel eens een vechtmissie zou kunnen worden. Onze soldaten bleven zich zo vreedzaam mogelijk gedragen, maar ze kregen de kogelvrije slaapcontainers die ze al veel eerder hadden moeten hebben. Heel langzaam daagde het thuisfront de rauwe Afghaanse werkelijkheid.

De afgelopen week zijn twee militairen gesneuveld. Eerder was een soldaat om het leven gekomen door een bermbom en waren er vier verongelukt. De twintigjarige soldaat eerste klas Timo Smeehuijzen liet het leven bij een zelfmoordaanslag, sergeant-majoor Jos Leunissen stierf toen, waarschijnlijk, de mortiergranaat in zijn mortier ontplofte. Berichten van het front maken melding van honderden Talibanstrijders die met raketgranaten, mortieren en kalasjnikovs de Afghaanse veiligheidstroepen en de Nederlanders aanvielen.

Vanzelfsprekend heeft Den Haag onversaagd gereageerd. Minister Van Middelkoop van Defensie noemde de zelfmoordaanslag een laffe daad. Nederland zal niet wijken voor het terroristisch geweld. De samenleving houdt de rug recht. Zo willen we het graag zien: dappere soldaten, onvoorwaardelijk gesteund door het thuisfront. Geen nieuw Srebrenica.

Op dezelfde dag dat sergeant-majoor Leunissen sneuvelde, voerden vliegtuigen van de door Amerika geleide coalitie een aanval uit op een godsdienstige nederzetting, waarvan werd aangenomen dat manschappen van al-Qaeda zich erin hadden verschanst. Een vergissing. Zeven kinderen werden gedood. Het afgelopen halfjaar zijn van dergelijke vergissingen 130 burgers het slachtoffer geworden.

‘Het lot van deze kinderen, op zichzelf al tragisch genoeg, zal opnieuw bijdragen aan de woede van veel Afghanen over het aantal burgers dat bij de operaties van Amerikanen en Navo-strijdkrachten het leven laat’, noteert de International Herald Tribune van 19 juni op de voorpagina. De krant citeert een Afghaans parlementslid, Paktika: ‘De meeste van die incidenten gebeuren omdat de internationale strijdkrachten hun acties niet coördineren met de Afghaanse autoriteiten. Het opperbevel betuigt dan zijn spijt. Dat is voor één keer aanvaardbaar, maar daarna niet meer.’

Bij het politiek en militair beleid in Afghanistan gaat de Nederlandse regering uit van de fictie dat we daar alleen zijn, of in gezelschap van uitsluitend de bondgenoten die zich laten leiden door dezelfde mensvriendelijke tactiek en strategie die wij erop nahouden. In werkelijkheid zijn we ondergeschikte bondgenoten in een oorlog waarvan het grote beleid in Washington wordt bepaald. En dat beleid werkt niet.

Na de aanvankelijke overwinning op de Taliban, in 2001, heeft Washington Afghanistan als een probleem van de tweede rang beschouwd. Eerst was Irak aan de orde. De onderneming daar heeft zich tot een ramp ontwikkeld. Het ontbreekt de Amerikanen aan voldoende materieel om zich in de chaos te handhaven. Vandaar dat nu onder andere helikopters van Afghanistan naar Irak worden overgeplaatst. De oorlog tegen de Taliban wordt feitelijk als een onderneming van de tweede rang beschouwd, maar wel blijven in laatste aanleg de Amerikanen het ‘gezicht’ van de krijgshandelingen bepalen.

Het risico dat zich in Afghanistan een tweede Irak ontwikkelt, wordt zichtbaar groter. Willen we daaraan als ondergeschikte deelnemer medeplichtig zijn? Dat heeft niets met moed, krijgshaftigheid of ruggengraat te maken. Het gaat dan uitsluitend om politiek inzicht en de vraag of we het leven van Nederlandse soldaten willen laten afhangen van een politiek-militair beleid waarop we zelf geen invloed hebben. Deze zomer moet het kabinet beslissen over verlenging van de missie na 2008.

Als er geen uitzicht is op een fundamentele verandering van het nu vigerende beleid, lijkt mij dat het antwoord moet zijn: nee. Dan moeten onze soldaten terug.