Geen verrassende vergezichten

BERNLEF
DWAALWEGEN
Querido, 84 blz., € 16,95

Dwaalwegen, bij het zien van de titel van Bernlefs nieuwste bundel sprong meteen de Ballade over de voetpaden in Västmanland van Lars Gustafsson in herinnering. Bernlef vertaalde veel werk van deze Zweedse dichter en dit lange gedicht staat onder andere te lezen in Alfabet op de rug gezien, een verzameling poëzievertalingen die verscheen in 1995, een jaar nadat Bernlef de P.C. Hooftprijs voor zijn eigen poëzie in ontvangst had mogen nemen. De ballade van Gustafsson is te lezen als een ode aan het door mensen gevormde, alles wetende, niet op de kaart staande pad. Het besluit met de regels:

wij schrijven de paden, en de paden blijven bestaan,
en de paden zijn verstandiger dan wij
en weten al datgene wat wij zouden willen weten.

Het is het soort sporen dat ook Bernlef fascineert. Zijn poëzie is te lezen als zoektocht naar dat wat er niet is, nauwelijks opgemerkt wordt of naar wat er was vóór datgene waar wij in het dagelijkse leven de sporen van treffen. Zoals verwoord in het gedicht Residu:

Keiharde afwezigheid, residu van
al wat vluchtig voorbij
de vinger niet op te leggen was.

De bundel opent met een variatie op de vraag die regelmatig terugkeert in Bernlefs werk en waarover hij ook essayerend zijn verwondering uitsprak: waar ontstaat het gedicht, waar is de dichter op het moment dat het gedicht geboren wordt? Steeds weer luidt het antwoord dat geen nadere duidelijkheid biedt: als de maker afwezig is, als zijn aandacht niet gericht is – dat is de tijd voor poëzie.

Maar nu nog een toestand waar geen mens
vat op heeft, waarvoor geen woorden zijn:

Een en al onaantastbare luister.

Wat opvalt in dit openingsgedicht Het vrije veld is de natuurwetenschappelijke metaforiek die erdoorheen sijpelt, woorden die elkaar afstoten, stenen die zich vol licht slurpen.
De openingsreeks is weinig opgewekt. Gedichten hebben titels als Gezichtsverlies, Afgedaan, Houdbaarheidsdatum. Bernlef geeft die woorden nieuwe lading. In Gezichtsverlies zijn daadwerkelijk gezichten verloren, bijvoorbeeld ‘Het gezicht/ dat zijn eerste sterren telde’. Het eindigt bijna abrupt:

Niets ervan is terug te vinden in
dit gezicht vooruitblikkend
op zijn laatste beeld.

Ergens gebeurt er niet zo veel in deze poëzie. Misschien zijn ze zelfs wat saai, deze gedichten over bijna niets, het vluchtige en vervliegende, het onooglijke. In de pogingen die momenten in woorden te bestendigen, wordt nauwelijks de aandacht op de taal zelf gevestigd, wat maakt dat je maar al te makkelijk over het gedicht heen kunt lezen. Toch dwingt Bernlef je tegelijkertijd juist met die fletse taal misschien wel waar hij je hebben wil: naar de tussentijd, naar waar de aandacht niet is – ‘Prachtig is de onsterfelijkheid/ maar wat doen wij in de tussentijd?’ schreef hij in Vreemde wil, de aandacht afleidend van het grote woord naar het kleine gebaar.
Bovendien is het talig niet alleen fletsheid wat de klok slaat. Monter valt de dichter zichzelf bijvoorbeeld in de rede in het naar prozavers neigende Wegdistel: ‘(Heeft een plant een rug?) De distel is een en al rug!’ Dergelijke als aan een kindergeest ontsproten vragen houden het levendig. Evenals de momenten waarop de ogen dwalen naar wat vaak aan het zicht onttrokken blijft: niet het veertiende-eeuwse Mariabeeld is prikkelend, maar de hand van Maria die de billen van het kindeke Jezus omvat in het gedicht Zachte dwang, niet de processie in vol ornaat krijgt een ode, maar de drollenvanger, zijn blik ‘op de teder uitgestulpte anus van het paard gericht’.
In de als een dans lezende reeks Choreografie voor een meisje van drie – het werk van voormalig mede-Barbarber-redacteur K. Schippers klinkt hier dichtbij – wordt een fascinerend spel gespeeld met heden en verleden, met wat gezien is en een mogelijkheid tot reconstructie daarvan. En bij Bernlef is ook de muziek nooit afwezig. Dwaalwegen lijkt met Piano de poëtische kiem te bevatten van het Boekenweekgeschenk De pianoman, en het gedicht Hoe de muziek haar verliet, hoe treurig ook, bevat een van de meest beeldende regels uit de bundel: ‘Het klavier kwam haar nu voor als een dichtgeklapt gebit’.
De wetenschap keert terug aan het slot, in een serie gedichten over uitvinders als Daguerre, Alfred Nobel en Thomas Edison – doet een uitvinder iets anders dan een dichter? Zijn veel grote uitvindingen en ontdekkingen niet eveneens gedaan op onverwachte momenten, buiten de gebaande paden? Zo laat ook de titel Dwaalwegen zich uiteindelijk verklaren, met een verwijzing naar een andere dichter, de Tsjech Miroslav Holub (1923-1998). Die verhaalt in zijn fantastische gedicht Beknopte beschouwing over kaarten van een groep soldaten die met een kaart van de Pyreneeën de weg in de Alpen vindt.
Bernlefs Dwaalwegen biedt geen verrassende vergezichten. Het bestendigt wat we eerder lazen. Wat niet wegneemt dat ik onlangs op de fiets ineens merkte dat ik probeerde om elke windvlaag die langs mijn gezicht streek en elke blik van tegemoet komende fietsers op te slaan. Dat doen deze gedichten dan toch maar wel.