Blog (1)

Geen vertrouwen in politici, elkaar en de toekomst

In de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen blogt De Groene-correspondent Marijn Kruk vanuit Frankrijk over de laatste politieke ontwikkelingen. Vandaag: de winnaars en verliezers van de globalisering.

Alle ogen op Frankrijk, klonk het toen de Nederlandse verkiezingen achter de rug waren. Sinds de Brexit en de verkiezing van Trump hield men in Europa het hart vast. Na decennia van relatieve stabiliteit leek de liberale wereldorde zoals die na de Tweede Wereldoorlog in het Westen werd opgebouwd plotseling in acuut gevaar. Het monster van het nationalisme roerde zich.

Ook in continentaal Europa bonkten populisten in alle soorten en maten op de poorten van de macht. De verkiezingen in Nederland waren het eerste testmoment na ‘Trump’. Maar de Hollandse dijken hielden het. De PVV van Geert Wilders werd niet de grootste – al kwam dat met de prijs dat gevestigde partijen als de VVD en het CDA veel van zijn nationalistische retoriek overnamen.

Toch was van opgelucht ademhalen geen sprake. Dat de Nederlandse dominosteen overeind was blijven staan was mooi. Maar de werkelijke test was het grote Frankrijk. Stel dat daar Marine Le Pen van het Front National de verkiezingen zou winnen. Dan komt het voortbestaan van de Europese Unie in direct gevaar. Le Pen dreigt Frankrijk immers uit de EU te halen, en zonder dat land geen Unie.

De notie van de bedreigde liberale wereldorde gaat gepaard met een veronderstelde tweedeling tussen ‘winnaars’ en ‘verliezers’ van de globalisering. De redenering is aldus: dankzij de globalisering is de welvaart in het Westen over de gehele linie weliswaar gestegen, maar in de praktijk profiteert vooral de bevolking in de steden ervan. Het platteland bleef achter, met name de gebieden waar ooit de fabrieken stonden die nu allemaal naar lagelonenlanden zijn verplaatst. De daarmee gepaard gaande onvrede dreef de Britten naar de uitgang van de Europese Unie, de Amerikanen in de handen van Trump en ze zal in Frankrijk op 7 mei mogelijk Le Pen de sleutels van het Elysée bezorgen.

Het frame van winnaars en verliezers van de globalisering, van openheid versus grenzen, van universalisme versus groepsdenken, van Verlichting versus Contraverlichting is nuttig. Maar het is ook een one size fits all-verklaring die voorbij gaat aan de specifieke nationale context. Dat bleek al toen de toegestroomde wereldpers de Nederlandse verkiezingsuitslag moest duiden. In de wirwar van partijen en partijtjes die zich opmaakten voor een lange formatieperiode bleef weinig overeind van het beeld van het populistische monster dat heldhaftig de pas was afgesneden. Dat geldt ook voor Frankrijk en de eenzijdige fixatie op Le Pen. De onvrede bij de Franse kiezer is namelijk maar zeer ten dele op het conto te schrijven van de oneerlijke verdeling van de globaliseringsbuit. Het is een optelsom van ongemakken, boosheden en angsten die zijn terug te voeren tot het midden van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Een Parijse kennis zei het me onlangs nog: ‘De Franse geschiedenis van de afgelopen veertig jaar is als een trechter, het gat wordt aldoor nauwer.’

Zeker, Marine Le Pen schommelt al meer dan een jaar rond de 25 procent. Maar zoals dagblad Le Monde onlangs schreef, zijn het de twijfelaars die de uitslag van de verkiezingen zullen bepalen. Ongeveer een derde van de kiezers weet nog niet wat hij of zij gaat stemmen. Ondertussen is de afkeer van de politiek onrustbarend groot. Uit onderzoek van peilingbureau OpinionWay blijkt dat 89 procent van de ondervraagden van mening is dat politici zich niet om de zorgen van de gewone man bekommeren; 75 procent vindt politici ‘over het algemeen gecorrumpeerd’, en slechts elf procent heeft vertrouwen in de gevestigde politieke partijen. Zeventig procent is van mening dat ‘de democratie in Frankrijk’ niet goed functioneert.

Hier tekent zich de groep Fransen af die de politicoloog Brice Teinturier omschrijft als de ‘plus rien à faire, plus rien à foutre’, vrij vertaald ‘hen die het geen reet meer schelen kan’. Hij schreef er een boek over met die titel en dat kreeg onlangs de prijs voor het beste politieke boek. De ‘Praf’ zoals Teinturier ze noemt zijn niet te vangen onder de noemer ‘open’ of ‘gesloten’ naar de wereld en respectievelijk vertegenwoordigd in de kandidaten Emmanuel Macron en Le Pen. Ze zijn niet zozeer boos of bang. Dat zijn immers nog emoties die je politiek kunt mobiliseren. De groep die Teinturier, in het dagelijks leven directeur van het bekende peilingbureau Ipsos, beschrijft is simpelweg afgehaakt. Men gelooft niet langer dat een machtswisseling verbetering zal brengen.

Voor wie bekend is met de enquêtes van het aan het beroemde Institut d’études politiques gelieerde onderzoekscentrum CEVIPOF komen de ‘plus rien à faire, plus rien à foutre’ niet als een verrassing. Al jaren achtereen blijkt dat Fransen niet alleen hun politici niet vertrouwen, maar ook elkaar niet. Tegelijk is het vertrouwen in de toekomst onthutsend klein. Zelfs de doorsnee Irakees blijkt de toekomst nog opgewekter tegemoet te treden dan de gemiddelde Fransman.

Tussen 1958 (het begin van de Vijfde Republiek) en 1982 (het jaar dat Mitterrand op straffe van een financiële en economische crisis zijn socialistische avontuur moest afblazen) was dat volgens Teinturier allemaal anders. Of je nu communist, socialist, liberaal of gaullist was, je ‘geloofde’ in de politiek. Ter verklaring voert hij uiteenlopende redenen aan, die niet allemaal even overtuigend zijn. Zo maakt hij een groot punt van de ‘marchandisering’ en de ‘individualisering’ van de samenleving. Niet alleen is dat door anderen diepgravender gedaan (door de socioloog Gilles Lipovetsky bijvoorbeeld), maar ook zijn dat verschijnselen die zich niet tot Frankrijk beperken en in zekere zin voor de gehele postindustriële wereld opgaan.

Waar Teinturier in ieder geval gelijk in heeft is dat de wortels van de vertrouwenscrisis bij de Franse burger diep reiken. Tijdens de naoorlogse periode, de zogeheten Trente Glorieuses (1945-1975), was er nog niet veel aan de hand. Frankrijk vertrouwde op zijn centralistische en staatsgeleide economische model. Het was ongeveer na 1975 dat de problemen begonnen (door de jurist en publicist Nicolas Baverez wel de Trente Pitieuses genoemd, niet de glorieuze, maar de meelijwekkende jaren). Waar het merendeel van de OESO-landen zich bekeerde tot vrijhandel en markteconomie beet Frankrijk zich vast in étatisme. Veelzeggend was dat op het moment dat Engeland koos voor Thatcher en Amerika voor Reagan, Frankrijk een president naar voren schoof die grootschalige nationaliseringen in het vooruitzicht stelde (Mitterrand).

Hoe diende Frankrijk zich te positioneren in de globalisering die nu pas echt goed op stoom kwam? Het was dé vraag waar opeenvolgende regeringen en presidenten een antwoord op moesten zien te vinden. Dat antwoord bleef uit en is tot op de dag van vandaag uitgebleven. In 2007 leek het land er even klaar voor: Nicolas Sarkozy werd gekozen met een duidelijk hervormingsmandaat. Weliswaar bleek Sarkozy hyperactief en actiebereid, maar tevens hopeloos incoherent. Van hervormen kwam uiteindelijk weinig terecht. Het presidentschap van zijn opvolger, François Hollande, verliep zó roemloos dat hij besloot niet op te gaan voor een tweede termijn – niet eerder vertoond tijdens de Vijfde Republiek.

Marcel Gauchet, een van ’s lands meest prominente denkers, hield me eens gekscherend voor dat het grootste probleem was dat Frankrijk een land van intellectuelen was. ‘Fransen hebben een groot, sturend idee nodig. Lang was dat de Staat. Maar dat idee voldoet niet langer.’ Een ander groot idee was nodig, aldus Gauchet, alleen was daar weer het probleem mee dat zo’n idee zich niet zo gemakkelijk laat verzinnen. En daarmee zaten de Fransen dus ingeklemd tussen een étatistisch model dat niet langer voldeed en de rest van de wereld die een variant van het Angelsaksische neoliberalisme had geïmporteerd, maar waar ze zelf niet aan wilden of durfden.

Daar zijn de Fransen dan goed mee weggekomen, zou je kunnen opmerken, maar zo simpel is het niet. Frankrijk kampt al sinds 1975 met massawerkloosheid, de industrie is niet concurrerend met buurland Duitsland, de staatsschuld is torenhoog en de overheidsuitgaven bedragen ruim 56 procent van het bruto binnenlands product (aanmerkelijk meer dan het Europees gemiddelde).

Bovendien is de pijn niet alleen economisch. Frustratie is er ook over de gemarginaliseerde positie van Frankrijk op het wereldtoneel. Nadat het koloniale rijk was opgegeven, was de gedachte dat de Fransen dan toch invloedrijk zouden zijn binnen Europa. Maar door de almaar verder uitdijende Europese Unie kwam daar uiteindelijk weinig van terecht. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Parijs uit tot de onbetwiste culturele en intellectuele hoofdstad van Europa, zo niet van de wereld. Sartre, Camus, De Beauvoir en in hun kielzog een hele sleep van schrijvers en denkers zetten decennialang de toon. (De Britse historicus Tony Judt schreef ooit venijnig dat dit vooral kwam doordat Londen zich na de Tweede Wereldoorlog terugtrok in splendid isolation en Wenen en Berlijn verwoest waren.)

Ook die tijden zijn voorbij. Vrijwel niemand spreekt of leest nog Frans. De vanzelfsprekendheid waarmee Frankrijk zijn culturele, intellectuele en morele normen aan de wereld oplegde is verdwenen. Internationaal is het Franse geluid slechts één stem te midden van vele. In zekere zin geldt dat voor heel Europa. Het continent schonk de wereld de moderniteit (technische vooruitgang, representatieve democratie, individualisering), maar het is de greep erover inmiddels verloren. In de wijdere wereld is Europa niet langer maatgevend en je zou kunnen beargumenteren dat het ongemak, de onrust en de onzekerheid die daarmee gepaard gaan veel verklaren over de opkomst van het Europese nationaal-populisme. Daaronder sluimert de notie te zijn overgeleverd aan een wereld die je niet langer vanzelfsprekend controleert.

Maar in Frankrijk wordt dit verreweg het sterkst beleefd. Juist omdat het politieke establishment zo overduidelijk niet in staat lijkt om het tij te keren. Het gaat gepaard met gevoelens van onmacht, ja, van aan defaitisme grenzende verlamming. Daar komen de afhakers van Teinturier weer in beeld. Maar het verklaart ook het fenomenale verkoopsucces van een boek als Le suicide français (‘De Franse zelfmoord’, 2014) van de conservatieve publicist Eric Zemmour. Op het oog is het een felle aanklacht tegen de politieke en intellectuele elites die ‘Frankrijk in veertig jaar tijd hebben afgebroken’. Zemmour gaat tekeer tegen immigratie, islam, feminisme, individualisering, moreel en intellectueel relativisme, linkse hobby’s en vrijhandel.

Zemmours boek wordt in één adem genoemd met De schijnélite van de valse munters van PVV-ideoloog Martin Bosma en Deutschland schafft sich ab van ex-bankier Thilo Sarrazin. Maar anders dan deze twee boeken is Le suicide français geen strijdschrift. Het zwelgt juist in nostalgie. Het Frankrijk dat Zemmour lief heeft, het Frankrijk van De Gaulle, is kapotgemaakt en komt niet weer. ‘Frankrijk is dood, Frankrijk sterft’, eindigt hij met Bossuet – auteur van de klassieke Oraisons funèbres (1669-1687). Zemmour effende dan ook niet zozeer de weg voor Marine Le Pen, zoals vaak is beweerd (in de eerste plaats door haarzelf), hij bevestigt eerder het gelijk van de groep die Teinturier in kaart bracht, de groep die het allemaal geen reet meer uitmaakt.

Zie daar het decor van de presidentsverkiezingen van 2017. En als dat nog niet somber genoeg is, is het eigenlijke spel het wel.

De campagne verloopt zacht gezegd chaotisch. François Fillon, de kandidaat van de centrum-rechtse Les Républicains (de opvolger van de UMP), wordt achtervolgd door corruptie-affaires. Er gaat geen week voorbij of er duiken nieuwe onthullingen op over spookbanen, renteloze leningen, dure maatpakken en horloges. Ook Marine Le Pen ligt onder vuur. Ze zou hebben gesjoemeld met geld van het Europees Parlement. Benoît Hamon, de kandidaat van de Parti Socialiste, heeft zijn partij dusdanig ver naar links getrokken dat een implosie onafwendbaar lijkt. Dat hij de tweede ronde haalt lijkt uitgesloten.

De onafhankelijke kandidaat Emmanuel Macron ontpopte zich als de grote verrassing van de campagne. Hij is jong (39), links-liberaal en pro-Europees. In het duel met Le Pen dat de peilingen voorspellen zou hij dik winnen. Maar het is nog maar de vraag in hoeverre Macron zijn stempel zal weten te drukken op de parlementsverkiezingen die in juni zullen volgen. Zoals het er nu naar uitziet kunnen de Franse presidentsverkiezingen niet anders dan een bittere smaak nalaten.