Fractievoorzitters Jesse Klaver en Lilianne Ploumen presenteren het inhoudelijke oppositieakkoord © Sem van der Wal / ANP

Als twee politieke partijen met wortels in de Tweede en de Derde Internationale aankondigen in het vervolg samen te zullen optrekken, verwacht je een vlammend manifest gebaseerd op een grondige, systematische analyse van de kwaden van het hedendaagse gefinancialiseerde en gemondialiseerde kapitalisme. Dan kom je er bij het Progressief Akkoord dat PvdA en GroenLinks deze week presenteerden, bekaaid af.

Toegegeven er staan allerlei behartenswaardige, mooie en nobele dingen in de vijftien programmapunten waar het akkoord uit bestaat. Wie kan er tegen minder ongelijkheid, meer duurzaamheid, minder discriminatie, goedkoper wonen, minder bio-industrie, betere publieke dienstverlening, meer treinverbindingen, ‘meer bomen, planten en dieren’ of een ‘waardengedreven buitenlandpolitiek’ zijn? Voor ieder Gutmensch – van welke kleur, aard, voorkeur of vleugel ook – is er wel iets te vinden, ook voor mij.

En om het geheel compleet te maken hebben de auteurs de vijftien punten gekoppeld aan concrete doelstellingen waar je de twee partijen in de lauwheid van de politiek van alledag op mag afrekenen. Zo hoort bij meer duurzaamheid minder meetbare uitstoot, minder vervuilende subsidies en meer geïsoleerde woningen. Hoort bij meer gelijkheid minder inkomensongelijkheid, minder vermogensongelijkheid en meer belasting voor multinationals. En past bij minder discriminatie een hogere score op zich thuis voelen en minder gevallen van discriminatie.

De politieke bekommernissen van alledag worden echter nauwelijks ontstegen. Zo staan er verwijzingen naar belastingontwijking door multinationals in, wordt er gepleit voor kinderopvang als basisvoorziening, leunt het akkoord sterk op belastingprikkels om vervuiling tegen te gaan, wordt er gerept van de behoefte aan ‘een nieuwe bestuurscultuur’, kom je er obligate verwijzingen naar het zogenaamde ‘van waarde-project’ van de aan de PvdA gelieerde Wiardi Beckman Stichting in tegen, en is er voor de trouwe Groene-lezer ook nog een hoofdknik te ontdekken naar het onderzoek dat leerde dat de overheid al zeker twintig jaar uit de regio aan het verdwijnen is.

Wat ontbreekt is een diepgravende analyse van de sterk gegroeide politieke, economische en culturele tegenstellingen in het Nederland van de 21ste eeuw en hoe dat samenhangt met de ontketening van het kapitaal vanaf het einde van de jaren zeventig als antwoord op de winstgevendheidscrisis van het grootbedrijf. En het is niet zo dat die analyses er niet liggen. Van het werk van Chancel & Piketty tot Pistor, van Mazzucato tot Hickel, van Malm tot Moore & Patel: allemaal hebben ze laten zien dat we er met wat marginale aanpassingen aan de instituties niet zijn.

Als je daar je progressieve inspiratie uit zou hebben geput, dan zou je alles op alles hebben gezet om de buitensporige machtsongelijkheid tussen werkgevers en werknemers aan te pakken, de koopkracht te herstellen, de zeggenschap van werknemers en burgers te vergroten en de bewegingsvrijheid van kapitaal aan banden te leggen. Dan zou je uitbuiting van arbeid, natuur en dieren als uiting van hetzelfde winstmaximaliserende kapitalisme hebben gezien. En dan zou je hebben begrepen dat meer gelijkheid en meer duurzaamheid een en hetzelfde zijn, omdat het de rijken zijn die we ons niet kunnen veroorloven. En dan zou je bovendien hebben erkend dat Europa een levensgrote sta-in-de-weg is voor het voeren van die politieke strijd.

Nu blijft het akkoord hangen in wat Mathieu Segers in zijn veelgeprezen essay over de val van Nederland in De Groene ‘de politiek van de oplossingen’ noemde, die pragmatisch, gemakzuchtig en niet van risico’s gespeend voorbijgaat aan ‘de politiek van de oorzaken’. Daarmee past het Progressieve Akkoord in het post-ideologische, technocratische karakter waarmee in Nederland door vrijwel alle partijen politiek wordt bedreven.

Mis gaat het vooral in de preambule bij de vijftien programmapunten. Een voorbeeld: op pagina twee worden daar de reddingsacties van de staat tijdens de bankencrisis van 2008 welwillend als voorbeeld aangehaald van hoe de staat opnieuw zijn financiële middelen zou kunnen mobiliseren om de klimaatcrisis te lijf te gaan. Wat toen kon, kunnen we nu ook, simpelweg omdat we het eerder hebben gedaan en we het ons kunnen permitteren. Om Keynes te citeren: alles wat we kunnen doen, kunnen we betalen.

Het punt is dat de tekst de bankenreddingen ‘terecht’ noemt: ‘De overheid deed er toen terecht alles aan om de spaartegoeden van mensen te redden en de instorting van het financiële systeem te voorkomen.’ Een echt progressieve tekst zou hebben gesteld dat het nooit zover had moeten komen, dat het een gevolg was van twintig jaar financiële neoliberalisering, dat de twee partijen zich daar altijd met hand en tand tegen hebben verzet, en dat ze toen hun gelijk hebben gekregen en gehaald.

Natuurlijk staat dat er niet. Want de twee partijen zijn medeplichtig geweest aan de ruige bevrijding van de financiële sector – zij het de een wat meer dan de ander. Hebben financialisering en globalisering nooit een strobreed in de weg gelegd. En hebben de nieuwe wereldorde van het flitskapitaal en de vrijhandelsverdragen altijd omarmd. En dus rest het reformisme waarin het redden van banken een progressieve zaak wordt.

Of neem de volgende passage: ‘Maar de vooruitgang is gestokt. In plaats van een belofte voor iedereen is het een voorrecht voor enkelen geworden. Basisvoorwaarden voor een fatsoenlijk leven zijn onder druk komen te staan. Een leefbare aarde, een betaalbaar huis, toegankelijke zorg, goed onderwijs en werk met een goed inkomen, zijn niet vanzelfsprekend. Dit is geen natuurverschijnsel, maar het gevolg van bewuste politieke keuzes. Van het pleidooi van vele generaties politici voor meer groei, meer efficiency, meer markt en minder overheid. Gecombineerd met een steeds groter wantrouwen richting burgers. We zien nu wat er misgaat als de politiek primair stuurt op economische groei.’

Iedereen die de afgelopen twaalf jaar een beetje bewust in de stemhokjes heeft gestaan zal nu in homerisch gelach uitbarsten.
Want ja, de doffe teleurstelling die twaalf jaar Rutte voor veel Nederlanders is geworden, is inderdaad niet de uitkomst van een natuurverschijnsel en komt uiteraard voor rekening van politieke keuzes. Maar dat zijn potdomme ook de keuzes van GroenLinks en PvdA geweest! Het zijn potdomme ook politici van GroenLinks en de PvdA geweest die daar op ‘hebben gestuurd’ en daarvoor hebben gepleit. De eerste door steun te verlenen aan het historisch ongekende bezuinigingspakket van Rutte 2. En de tweede door de handtekening te zetten onder het ongehoorde knevelakkoord van Rutte 3. En allebei door nu al twee jaar te pleiten voor strengere, hardere, langere lockdowns waardoor de eigen natuurlijke achterban – de laagbetaalden en precairen – alleen maar meer sociaaleconomische schade wordt berokkend.

Een nieuwe lente begint met rekenschap afleggen over de eigen verantwoordelijkheid voor de huidige herfst. Zolang dat niet gebeurt, kan het Progressief Akkoord maar op een manier worden geduid: als een wanhopige poging van twee roemruchte politieke partijen om hun eigen ideologische leegte en afbladderende electorale aantrekkingskracht te verhullen door aan SP en D66 het predicaat ‘progressief’ te ontfutselen en als vlag te laten wapperen boven de ruïne van het eigen politieke denken.