Geen voorstelling

De acteurs heten in de voorstelling zoals ze heten in de werkelijkheid: Roel, Peter, Adri, Julia en Tessa. Ze houden controle over alles wat ze doen op de speelvloer. Ze spelen mensen die de controle over hun hersens kwijt zijn, wat wij vroeger op ons dorp ‘niet alle zeven op een rijtje’, noemden, rijp voor het gekkenhuis. Ze spelen niet ‘de gek’, ze demonstreren hem.

Een mooi voorbeeld is Roel. Hij komt op in zijn onderbroek, laat zich achter een emmer met water op de grond zakken in yogahouding, pakt een sigaret en een doosje lucifers. Tessa en Julia komen op met twee kommen en gaan naast Roel staan. Ze scheppen water uit de emmer en laten het terugvloeien - ze maken een kleine waterval. Roel probeert dwars door die waterval heen zijn sigaret aan te steken. Hij snapt dat pesterige water niet. Roel kan de uiteenlopende dingen die hij waarneemt niet verbinden tot een geheel.
Ander voorbeeld: Adri wandelt over het toneel met een boodschappentas waaruit een spoor van wit zand op het speelvlak lekt. Adri heeft alles in de gaten. Ook de tijd. Hij vraagt steeds aan het publiek: ‘Hoe laat is het? Precies?’ En dan zet hij de klok. Steeds als een van de andere spelers iets heeft neergezet (Bijna was ik goed is geen voorstelling maar een verzameling 'nummers’, die wij in ons hoofd aan elkaar kunnen lassen), zegt Adri met een zwaar vervormde stem: 'Dankjewel, Tessa.’ Adri houdt alles nauwgezet in het oog. Behalve dus zijn lekkende boodschappentas. De hele speelvloer wordt er wit van.
Het verstand van gekken is als los zand. Bijna was ik goed is dat ook. Wit, los rondgestrooid zand als een zorgvuldig samengestelde verzameling vers verworven nieuwe inzichten. Deze acteurs spelen geen gekken, ze blijven heel dicht bij zichzelf en laten fragmenten zien van levens die ze met veel nieuwsgierigheid hebben geobserveerd. Ze voorzien die levens van merktekens. Het mooiste merkteken is een veertje dat ergens in de lucht hangt. Dat veertje dwarrelt naar beneden als de voorstelling bijna voorbij is. Dan is er iemand gestorven. Een gek mens. Misschien. Het wordt bijna terloops getoond.
Het mooie van deze voorstelling (die dus geen voorstelling is) zit in dat terloopse. Tessa vertelt vlak bij het publiek hoe je een jas aantrekt, als het ware om je het te herinneren wanneer je vergeten bent hóe je een jas aantrekt. Achter haar volgen vier acteurs heel precies haar aanwijzingen. Ze komen allemaal ergens anders uit. En niemand heeft na afloop een jas aan. De woorden zijn goed bedoeld, maar als er geen contact bestaat tussen het zenuwcentrum van het lichaam en de draadjes in de lichaamsdelen, dan wordt zelfs het aantrekken van een jas een heidense en onmogelijke klus.
Over die heidense en onmogelijke klus gaat Bijna was ik goed. Waarin de spelers heten zoals ze in het echt heten: Roel Adam, Peter van Heeringen, Julia Henneman, Tessa du Mée en Adri Overbeeke. Liesbeth Coltof heeft de verloren draadjes tussen het losse zand aan elkaar gemaakt. Bij een voorstelling heet dat 'regie’. Maar dit is geen voorstelling.

  • In Altijd zondag tonen Servaes Nelissen en Jes Vriens de buitenkant en spelen ze de binnenkant van twee bejaarden in een tehuis. De eindregie is van Cas Enklaar; Altijd zondag heeft inderdaad wel iets van de vrolijke treurigheid die het Werkteater in zijn producties uitstraalde. T/m 26 april in het hele land. Inlichtingen: 020-4201521.