Geen vooruitgang zonder verbeelding

In de opnieuw uitgegeven sciencefictionroman Een huwelijk in het jaar 2020 weerspiegelt Maurits Wagenvoort het intense verlangen naar een betere wereld.

Maurits Wagenvoort voorzag een wereld waarin vrouwen en homoseksuelen een volwaardige plek innemen © Literatuur Museum

Maurits Wagenvoort was geen groot schrijver. Dat hij niet volledig in vergetelheid is geraakt, heeft hij vooral te danken aan zijn vriendschap met Louis Couperus, met wie hij reizen maakte en correspondeerde. Couperus verhulde zijn geaardheid middels zijn huwelijk met de vertaalster Elisabeth Baud. Wagenvoort was daar minder geheimzinnig over en koos voor een leven als vrijgezel.

In tegenstelling tot Couperus (geboren in de Haagse bestuurlijke elite) groeide Maurits Karel Herman Wagenvoort halverwege de negentiende eeuw op in een arm, Amsterdams arbeidersgezin. Als jonge twintiger gaat hij aan de slag als journalist, onder meer bij het Algemeen Handelsblad. Het werken in loondienst botst met zijn vrijheidsdrang en hij besluit verder te gaan als zelfstandige journalist en schrijver. In die hoedanigheid reist hij over de hele wereld tot hij zich in 1914 door ziekte gedwongen ziet definitief te stoppen met zijn buitenlandse reizen. Wagenvoort blijft tot op hoge leeftijd sappelen als vrije journalist en romancier, met beperkt succes. Op 30 november 1944 overlijdt hij, op 85-jarige leeftijd.

Terwijl de Nederlandse letterkunde opvallend weinig sciencefiction heeft voortgebracht, is er gedurende de achttiende en negentiende eeuw wel een reeks toekomstromans verschenen. Boeken met titels als Holland in ’t jaar 2440 (geschreven door Betje Wolff, 1777), Het toekomend jaar 3000 (Arend Fokke Simonsz, 1792), Anno 2065 (Pieter Harting, 1865) en Anno 1999 (J. Rutgers, 1899). Maar die zijn zonder uitzondering in vergetelheid geraakt. Dat geldt ook voor Wagenvoorts opmerkelijke Een huwelijk in het jaar 2020, uit 1923.

In juni van dit jaar brengt Atlas Contact de roman opnieuw uit. In de inleiding typeert schrijver Anton Dautzenberg Wagenvoort als ‘de Nederlandse Jules Verne’. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Ik overdrijf een klein beetje, in het belang van de goede zaak.’ Toch zou Wagenvoort met zijn visionaire beschrijving van een ‘fotofoon’ voortaan in een adem moeten worden genoemd met bekendere herauten van het internettijdperk als Mark Twain en E.M. Forster.

Een huwelijk in het jaar 2020 gaat over de Nederlandse wetenschapper annex topambtenaar Cécile van de Beek en over haar open huwelijk met haar man Alfred. Een zedenschets in de sfeer van een doktersroman, maar tegen de achtergrond van een fascinerend futuristisch decor. Het boek staat nog in de traditie van negentiende-eeuwse utopische toekomstromans; een genre dat later, in de twintigste eeuw, volledig zou worden verdrongen door sombere, dystopische sciencefiction. Wagenvoort beschrijft een toekomst waarin het proletariaat wereldwijd het kapitalisme (en meteen ook maar even de democratie) heeft afgeschaft en dat resulteert in een opmerkelijk vredige en vrijzinnige samenleving. Rassendiscriminatie behoort tot het verleden en de emancipatie van de vrouw is vervolmaakt.

Per definitie zegt sciencefiction meer over de tijd waarin het verhaal is geschreven dan over de tijd waarin het zich afspeelt. Met de gruwelen van de Eerste de Wereldoorlog nog vers in het geheugen weerspiegelt Een huwelijk in het jaar 2020 het intense verlangen naar een betere wereld. De vrede in Wagenvoorts toekomst wordt met succes bewaakt door de Bond der Volken. Op 16 januari 1920 vond de eerste vergadering plaats van de Volkenbond, de organisatie die een einde zou moeten maken aan alle oorlogen. Wagenvoort extrapoleert de trends en overtuigingen van zijn tijd simpelweg naar de verre toekomst. Het socialisme van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die bij zijn overlijden in 1919 een bijna goddelijke status genoot. Het feminisme van Aletta Jacobs, dat met de invoering van het vrouwenkiesrecht in 1919 een cruciale overwinning had behaald. De nieuwe pedagogische denkbeelden van Maria Montessori; haar boeken verschenen vanaf 1916 in Nederlandse vertalingen. Wel baanbrekend is dat Wagenvoort in de roman vrijere seksuele opvattingen voorspelt: ‘De begrippen over homo-sexualiteit waren allengs rechtvaardiger geworden.’ Dat was – zelfs in de relatief progressieve jaren twintig – een gewaagde uitspraak.

De volksgezondheid in Wagenvoorts denkbeeldige 2020 is beduidend minder zorgelijk dan in het werkelijke 2020. Volgens Wagenvoort is de mensheid in het nieuwe millennium ‘gelouterd van alle infectie’. Toch is het maar de vraag of we met zijn werkelijkheid zouden willen ruilen. De roman weerspiegelt dat de eugenetica, voordat de nazi’s ermee aan de haal gingen, brede acceptatie vond. Kinderen met ongeneeslijke gebreken en ziektes worden in Wagenvoorts droomwereld zonder scrupules gedood. Het boek bevat passages als: ‘Gebochelden, idioten, kreupelen bestonden er thans zoo min als lijders aan verborgen of afzichtelijke kwalen. De menschheid was lichamelijk waarlijk rechtschapen en schoon, ook niet gedrochtelijk door zwaarlijvigheid, en de ouderdom scheen geen vat op haar te hebben.’

Alleen al Wagenvoorts verbluffende visioen van de ‘fotofoon’ rechtvaardigt de heruitgave

Zijn fixatie op gezondheid is niet los te zien van de toenmalige populariteit van de reformbeweging, het naturisme en de opkomst van het vak lichamelijke opvoeding op scholen. Iedereen in Wagenvoorts paradijs is verplicht zich (in z’n blootje) dagelijks een paar uur te wijden aan ‘lichaamscultuur’. ‘Al de vreeselijke kwalen, die de menschheid voorheen teisterden: tering, kanker, melaatschheid, syphilis, onmatigheid tevens, zij bestonden niet meer.’ Een voorspelling die deels is uitgekomen, maar die voorbijgaat aan de mogelijkheid dat er nieuwe kwalen opduiken.

Ook in technologisch opzicht trekt Wagenvoort de lijnen van 1920 door naar de toekomst. De wetenschappelijke doorbraken van de negentiende eeuw resulteerden gedurende de belle époque in een golf van nieuwe uitvindingen. De door Henry Ford gepropageerde rationalisering van het productieproces zorgde er vanaf de jaren twintig voor dat die vruchten van technisch vernuft – de telefoon, de fotocamera, de cinema, de auto – binnen het bereik van een groeiend deel van de bevolking kwamen. De door Wagenvoort geschetste technische stand van zaken in 2020 wijkt weinig af van het gangbare toekomstbeeld in de jaren twintig. Zoals in veel toekomstromans en -films is het luchtruim er vergeven van de privévliegtuigjes. Een ander genrecliché in sciencefiction is dat we onze toekomstige maag niet meer vullen met aardappelen, rijst, pasta, groenten en vlees, maar met synthetische voeding. Ook Een huwelijk in het jaar 2020 weerspiegelt die verwachting en spreekt van ‘zeer smakelijke en krachtige pastilles van geconcentreerde voedingsmiddelen, welke men slechts op te zuigen of, wat ongeduldig van aard, te kauwen had’.

Maar Wagenvoorts toekomstroman bevat ook een technologische voorspelling die wel werkelijkheid is geworden. Zijn verbluffende visioen van de fotofoon alleen al rechtvaardigt dat Een huwelijk in het jaar 2020 onder het stof van de geschiedenis vandaan wordt gehaald. Een fotofoon is een multifunctioneel apparaat dat een grote rol speelt in het dagelijks leven in ‘2020’. Het doet dienst als beeldtelefoon, als televisie, als krant, als educatief hulpmiddel en als beeldarchief. En dat terwijl de radio bij het verschijnen van zijn roman nog maar net aan zijn opmars was begonnen. ‘De fotofoon verkreeg dagelijks grooter beteekenis in het leven der menschen. Wat er ooit voorbereid gebeurde, werd liefst door hen “vereeuwigd” langs fotofonischen weg om, herinnering geworden, deze later steeds te kunnen doen herleven, zoodra men haar opriep. Maar ook voor het staats- en gemeenschapsleven werd de fotofoon overal aangewend. Overal waren reporters aangesteld om zoo mogelijk het onverwachte gebeuren te betrappen en vast te leggen.’

Aardig detail is dat de zoon van de twee hoofdpersonen een uitvinding van wereldbelang heeft gedaan: ‘de toepassing van radium op de fotofoon’. Wat dat precies toevoegt, blijft in het ongewisse, maar het zal ongetwijfeld verband houden met de lichtgevende eigenschappen van het in 1898 ontdekte radioactieve element, waarvan men in 1923 de gevaren nog niet kende.

Een huwelijk in het jaar 2020 kreeg een positieve bespreking in het literaire tijdschrift Den Gulden Winckel, hoewel de recensent het niet kon laten een paar bestraffende woorden te wijden aan Wagenvoorts libertijnse seksuele moraal. Ook suggereerde hij sommige passages in een volgende druk te schrappen. ‘De fotofoon van onzen schrijver is mij onbegrijpelijk, en de toepassing van radium op de fotofoon schijnt mij volslagen onzin.’ Het doet beseffen hoe moeilijk het destijds moet zijn geweest zich een voorstelling te maken van zo’n alvermogend toestel.

Wagenvoort was niet de eerste en ook niet de laatste schrijver die een voorschot nam op het ict-tijdperk. In het korte verhaal From the London Times of 1904 (1898) beschrijft Mark Twain een ‘telelectroscope’, een apparaat waarmee, gebruikmakend van het telefoonnetwerk, wereldwijd zicht- en hoorbare informatie kan worden gedeeld. Beklemmend en griezelig accuraat is het verhaal The Machine Stops (1909) van de Brit E.M. Forster. Een onheilsprofetie waarin de schrijver van A Room with a View en Passage to India niet alleen een soort internet, Skype en e-learning voorspelt, maar ook de vervreemdende werking van sociale media voorzag. (‘Ze wisselde ideeën uit met haar ontelbare vrienden en geloofde dat ze almaar spiritueler werd.’) In het kinderboek Der 35. Mai oder Konrad reitet in die Südsee (1931) beschrijft Erich Kästner een mobiele telefoon.

Ook buiten de Republiek der Letteren blijkt men in retrospectief soms de spijker op de kop te hebben geslagen. Vanaf 1891 tot in de jaren dertig werkte de Belgische bibliograaf Paul Otlet aan zijn ideaal van perfect bewaarde en wereldwijd opvraagbare informatie. Al in 1934 voorzag hij dat het beeldscherm in zijn toekomstige systeem (het ‘Mundaneum’) een centrale rol zou gaan spelen. Ook de Britse sciencefictionpionier H.G. Wells geeft in zijn bundeling futurologische essays World Brain (1936-1938) zijn visie op zo’n toekomstige, vrij toegankelijke ‘wereldencyclopedie’.

Naarmate de communicatierevolutie naderbij kwam, werden de voorspellingen concreter en nauwkeuriger. In Kongres Futurologiczny (1971) voert de Poolse schrijver Stanisław Lem een ‘handtascomputer’ ten tonele. En in Inherit the Stars (1977) geeft de Brit James P. Hogan een nauwkeurige schets van een laptop, inclusief een microfoontje en een lensje boven het scherm. Frappant is de scène uit 2001: A Space Odyssey (1968) waarin een astronaut een apparaat bedient dat wel heel veel weg heeft van een iPad.

Het laatste voorbeeld illustreert dat kunstenaars niet alleen een heldere blik op de toekomst hebben, maar dat ze die soms ook helpen vorm te geven. Zoals een dokter met een wattenstaafje onzichtbare bacteriën in een petrischaaltje brengt, zo creëert een schrijver een kweekje waarin hij een nieuw idee zichtbaar kan maken. Dat is precies wat Wagenvoort heeft gedaan. Niet alleen met zijn lucide ingeving dat verschillende vormen van communicatie geïntegreerd zouden worden, maar ook met de schepping van een wereld waarin vrouwen en homoseksuelen een volwaardige plek innemen. Geen vooruitgang zonder verbeelding.