Het leven als oorlog

Geen vrede zonder strijd

Op een modderig stuk «gekraakt» land aan de rand van Buenos Aires bereidt Florencia Vespignani haar aanstaande tournee door de Verenigde Staten voor, waar ze met studenten en activisten zal praten over de verzetsbewegingen in Argentinië.

«Ik ben een beetje bang», bekent ze.

«Voor de oorlog?» vraag ik.

«Nee. Voor het vliegtuig. Oorlogen hebben we hier continu.»

Vespignani, een 33-jarige moeder en «community organizer», is een van de leiders van de Movimiento de Trabajadores Desocupados (MTD), een van de tientallen organisaties van werkloze arbeiders, bekend als piqueteros, die zijn opgedoemd uit de puinhopen van de Argentijnse economie.

Als Florencia het leven beschrijft als een oorlog is dat geen metafoor. In een land waar ruim de helft van de mensen in armoede leeft en waar elke dag 27 kinderen sterven van de honger heeft ze geleerd dat je om in leven te blijven de straat op moet gaan en vechten — voor elk stuk brood, voor elke nacht rust.

Vanuit het perspectief van het IMF zijn de piqueteros de «collaterale schade» van het neoliberalisme — een gelukkige explosie die plaatsvond toen snelvuur- privatisering werd gemengd met «schok»-bezuinigingen. Midden jaren negentig zaten honderd duizenden Argentijnen plotseling zonder salaris, uitkering of pensioen. In plaats van stilletjes te verdwijnen naar de schoongeveegde shantytowns rond Buenos Aires organiseerden ze zichzelf in militante bonden geworteld in de buurt. Snelwegen en bruggen werden geblokkeerd tot de regering werkloosheidsuitkeringen ophoestte; verlaten stukken land werden «gekraakt» om huizen, boerderijen en gaarkeukens te bouwen; honderd gesloten fabrieken werden overgenomen door het personeel en weer in bedrijf gesteld. Directe actie werd het alternatief voor diefstal en dood.

Maar dat is niet de reden waarom Vespignani het leven in Argentinië beschrijft als een oorlog. De oorlog is wat er gebeurt, nadat zij en haar buren de moed hebben gehad om te overleven: de bezoekjes van gewapende gangsters, de brute verdrijvingen van bezet land en uit overgenomen fabrieken, de moordaanslagen op activisten door de politie, het afschilderen van piqueteros als bedreigende terroristen. Vorige maand gebruikte de politie van Buenos Aires traangas en rubber kogels om zestig gezinnen uit een leegstaand gebouw vlakbij de trendy Plaza Dorrego te krijgen. Het was de ernstigste daad van repressie in de stad sinds twee jonge leiders van de MTD door de politie werden gedood tijdens een wegblokkade vorig jaar juni.

De politie zei bezorgd te zijn over de veiligheid van het kraakpand; velen denken dat de gewelddadige uitzetting onderdeel was van de nieuwste economische aanpassing die wordt bekokstoofd in het Sheraton Hotel, waar IMF-delegaties nu al wekenlang praten met bankiers en kandidaten in de komende presidentsverkiezingen. Het IMF hoopt vast te stellen of Argentinië in aanmerking komt voor nieuwe leningen: of het zijn buitenlandse schulden zal afbetalen en blijft doorgaan met bezuinigen op sociale uitgaven.

Maar er is nog een criterium, dat onuitgesproken blijft, waaraan presidentskandidaten moeten voldoen om buitenlands kapitaal te verdienen: ze moeten laten zien dat ze bereid zijn geweld te gebruiken om die sectoren te controleren die lijden onder zulke overeenkomsten. Krakers, pique teros — zelfs de cartoneros, de legers van «aasgieren» die vuilnishopen uitkammen op zoek naar karton om te verkopen — liggen onder vuur. Volgens de voormalige eigenaar van een geprivatiseerd afvalbedrijf in Buenos Aires, die nu strijdt om het burgemeesterschap met een programma van «Let’s Take Back Buenos Aires», is afval privé-bezit en zijn de cartoneros dus dieven.

Kortom, de wanhopige queeste van miljoenen Argentijnen om in leven te blijven, is een bedreiging voor het herstel van de economie en moet worden gestopt. John Berger schreef onlangs: «Zonder geld wordt iedere dagelijkse menselijke behoefte een kwelling.» In Argentinië is elke poging die kwelling te verminderen een misdaad aan het worden. Dat is de oorlog waar Florencia het over heeft, en als ze door Amerika reist, zal ze de zware taak hebben dat over te brengen aan activisten die bijna exclusief zijn gericht op het beëindigen van een ander soort oorlog, waarin de strategie schokken en afbluffen is en niet dagelijkse wreedheid en massale marginalisering.

Toen ik buiten het kraakpand stond op de avond dat de zestig gezinnen werden uitgezet, moest ik denken aan de roep om «vrede» die klinkt vanuit Europa en Noord-Amerika. De antioorlog-boodschap resoneert hier krachtig, en tienduizenden mensen deden mee aan de wereld wijde actiedag op 15 februari. Maar vrede? Wat betekent vrede in een land waar het recht dat het hardst verdedigd moet worden het recht om te vechten is?

Mijn vrienden in Zuid-Afrika zeggen dat de situatie daar grotendeels hetzelfde is: gezinnen die worden verdreven uit ellendige shantytowns van Soweto tot de Kaapvlakte, politie en privé-beveiligers die kogels en traangas gebruiken om mensen uit hun huis te krijgen, en, vorige maand, de verdachte moord op Emily Nengolo, een 61-jarige activiste die streed tegen de privatisering van water. In plaats van hun energie te wijden aan het veiligstellen van voedsel, banen en grond, worden sociale bewegingen over de hele wereld gedwongen te vechten tegen de oorlog-op-laag-niveau tegen hun eigen criminalisering.

Ironisch genoeg zijn die bewegingen in feite de echte oorlog tegen het terrorisme aan het voeren — niet met law and order maar door alternatieven te bieden voor de fundamentalistische tendensen die overal zichtbaar worden waar werkelijke wanhoop bestaat. Ze ontwikkelen tactieken waardoor enkele van de meest marginale mensen op aarde in hun eigen behoeften kunnen voorzien zonder terreur te gebruiken — door wegen te blokkeren, panden te kraken, land te bezetten en zich te verzetten tegen uitzetting.

15 februari was méér dan een demonstratie — het was een belofte een werkelijk internationale antioorlogsbeweging op te bouwen. Als dat gaat gebeuren, zullen Noord-Amerikanen en Europeanen de oorlog op al zijn fronten moeten aanpakken: om zich te verzetten tegen een aanval op Irak en het als terroristisch brandmerken van sociale bewegingen te verwerpen. Het gebruik van geweld om de bodemschatten van Irak te controleren, is slechts een extreme versie van het geweld dat wordt gebruikt om markten open te houden en schuldbetalingen te laten voortgaan in landen als Argentinië en Zuid-Afrika. En op plaatsen waar het dagelijks leven als een oorlog is, zijn de mensen die zich militant verzetten tegen die wreedheid de vredes activisten.

Want we willen allemaal vrede. Maar laten we niet vergeten dat die niet komt zonder strijd.

© The Nation

Vertaling: Rob van Erkelens