Geen weeffoutje

Waarom vinden we tijd voor onszelf en onze naasten het belangrijkste van alles, maar werken we toch voornamelijk voor ‘meer’? Het probleem is het kapitalisme.

Kapitalisme wringt je tijd uit je handen, zachtzinnig of hardhandig © Peter Marlow / Magnum Photos /HH

De Australische verpleegster Bronnie Ware publiceerde in 2012 de ervaringen die ze opdeed tijdens acht jaar palliatieve thuiszorg: The Top Five Regrets of the Dying. Het was een synthese van de spijt die ze had gevoeld onder de patiënten die ze, bij hen thuis, tijdens hun laatste levensfase begeleidde. Dit was volgens de schrijver het meest genoemde verdriet: ze wilden dat ze in hun leven trouwer waren geweest aan zichzelf, dat ze niet zo hard hadden gewerkt, dat ze vaker hun gevoelens hadden geuit, dat ze hun vrienden meer hadden gezien, dat ze meer plezier hadden gehad – meer gelachen, meer gekkigheid meegemaakt en uitgehaald. Ware’s boek is niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, wel op persoonlijke ervaring. De meeste kritiek op het boek ging dan ook niet over Ware’s methode, maar over haar bevindingen, die aanstellerig zouden zijn: mensen moeten nu eenmaal werken.

Maar ik las Ware’s boek zelf in het voorjaar van 2013 en ik herkende de gevoelens van haar patiënten. Eind 2012 lag ik vier weken in het ziekenhuis, op de hartafdeling. Het betrof geen palliatieve zorg, maar wel twee hartoperaties waarvan niet duidelijk was of ik ze zou overleven, een aanval van sepsis, en een kamergenoot die ’s nachts overleed. Mijn voornemens na mijn verblijf: vrienden en familie zien, trouw zijn aan mijn dromen – een tijdje wonen in New York, een eigen film maken – en tegelijkertijd minder hard werken.

Ik woonde de afgelopen vier jaar in New York, ben inmiddels enkele maanden terug en plande onlangs mijn verjaardag en een etentje met vrienden – en wat merkte ik? Het is bijna onmogelijk om al mijn vrienden een avond bij elkaar te krijgen. Ik vroeg enkele van de afzeggers wat de redenen waren: waren ze verliefd geworden? Gingen ze wandelen naar Parijs? Met andere vrienden op stap? Nee, het grootste gedeelte van de tijd van mijn vrienden ging op aan werken.

Het is een opmerkelijke tegenstelling: op ons sterfbed belijden we wat voor ons werkelijke waarde heeft – zelfontplooiing, praten, vrienden, familie, plezier – maar de tijd van ons leven vullen we voornamelijk met werken voor ‘meer’. Hoe komt dat?

Een mogelijk antwoord op deze vraag is een van de onderwerpen van This Life: Secular Faith and Spiritual Freedom van de Zweedse filosoof Martin Hägglund, werkzaam aan Yale en schrijvend in het Engels. Het gaat te ver om het boek een hype te noemen, maar het filosofische werk is de afgelopen maanden in alle nadenkende media uitvoerig besproken. This Life behandelt niet alleen het filosofische verhaal van religie en kapitalisme tot nu toe om uit te leggen waardoor wij onze tijd veelal anders besteden dan we zouden willen, de schrijver wil ook vorm geven aan hoe het verhaal verdergaat, een nieuwe weg inslaan, die van seculier geloof, spirituele vrijheid en democratisch socialisme.

De ondertitel van het boek betreft Hägglunds twee centrale theses. De eerste: dat iedereen een seculier geloof heeft, dat wil zeggen opvattingen heeft over wat van waarde is en daarnaar zijn leven inricht. Hägglund wil de wereld niet opdelen in gelovigen en ongelovigen, hij wil laten zien dat iedereen in iets gelooft, en dat dat iets altijd aards is. Het belangrijkste kenmerk van seculier geloof, in de woorden van Hägglund, is dat het object van ons geloof volledig afhankelijk is van de beoefening van ons geloof. Wat het doel van ons geloof ook is – de instituties die we proberen op te bouwen, de maatschappelijke omwenteling die we proberen te realiseren, de gemeenschappen die we proberen op te zetten – niks van dit alles bestaat onafhankelijk van de manier waarop wij het onderhouden. Zo bezien houdt iedereen er al een seculier geloof op na: iedereen besteedt zijn tijd aan instituties, gemeenschappen, relaties. Maar ook aan werk, dus.

De tweede these kenmerkt de spirituele vrijheid en die gaat opmerkelijk genoeg vooral over de tijd die je als mens wel of niet krijgt om jezelf te ontplooien. Maar die tijd voor plezier en nieuwe ervaringen en gekkigheid moeten we dan wel krijgen, of maken. Hägglund voert in zijn boek een belangrijke herinterpretatie én herwaardering uit van Karl Marx (zijn Kapital, Grundrisse en de Ökonomisch-philosophische Manuskripte aus dem Jahre 1844), het is een interpretatie van Marx die ik nog nergens anders tegenkwam.

Centraal in Hägglunds redenering staat Marx, die het menselijk leven opdeelde in twee domeinen, dat van de noodzakelijkheid en dat van de vrijheid. Redelijkerwijs gezien, zegt hij, zou de mens – die geestelijk vrij is, dus in staat om keuzes te maken op basis van zelf opgestelde principes – ernaar moeten streven het domein van de noodzakelijke arbeid te verkleinen en het domein van de sociale vrijheid te vergroten. Zo kan de mens steeds vaker doen waar hij zelf zin in heeft. Dát is vrijheid. Maar het kapitalisme is nu juist intrinsiek geobsedeerd door meeropbrengst.

Gingen ze naar Parijs? Met vrienden op stap? Nee, mijn vrienden gingen werken

De wet van de meeropbrengst is geen bijkomende, herstelbare of corrigeerbare fout van het kapitalisme, geen ‘weeffoutje’, nee, de wet is het weefsel zelf, het hele patroon: het kapitalisme zal altijd op zoek gaan naar meer rendement, en wat het daarvoor nodig heeft is de tijd van mensen. Dat betekent dat het domein van de (zogenaamd) noodzakelijke arbeid dus altijd zal groeien ten koste van dat van de vrijheid. Want alleen door de hoeveelheid arbeidstijd te vergroten, stijgt ook de noodzakelijk geachte meerwaarde (tenzij de kosten van arbeid te hoog worden, natuurlijk, maar dan worden de arbeidsplaatsen verplaatst, of vervangen door machines, die ook weer ontworpen, gemaakt en verkocht moeten worden).

Zo lijkt het, schrijft Hägglund, dat meeropbrengst en rendement belangrijker zijn dan met je kinderen in het park spelen, een optreden bijwonen of wandelen in de natuur. Het raamwerk van het kapitalisme maakt meeropbrengst tot ‘het’ doel van het leven.

Hägglund gebruikt het weefselontwerp van het kapitalisme vervolgens als politiek-filosofisch en socio-economisch argument tegen het bestel: de meeropbrengst-obsessie is noodzakelijkheid noch vrijheid. Vrijheid wordt immers uitgedrukt in tijd, doordat je zelf mag bepalen hoe je je tijd besteedt. Als we werkelijk vrij willen zijn, stelt de Zweed, dan moet wat we doen een doel op zich zijn; het doel moet dus niet de financiële meeropbrengst zijn van een activiteit, maar de activiteit zelf. Maar je sociaal beschikbare tijd, de tijd die je kunt aanwenden voor ‘doelen op zich’, tijd die je doorbrengt met je geliefden, met de schoonheid van kunst of natuur, die je kunt besteden aan de maatschappij of aan verbinding met anderen, kost in het kapitalistisch systeem altijd geld, want je had die tijd immers ook voor de noodzakelijke wet van de meeropbrengst kunnen aanwenden: productiemiddelen en diensten worden immers ingezet, aangeleerd en aangeboden met het idee dat ze telkens meer moeten opbrengen. En: ‘Als jij het niet doet, doet iemand anders het wel.’ Hou je je winkel niet een uur langer open, dan doet de concurrent dat wel.

Hägglund gaat met zijn kritiek op het kapitalisme zo een stap verder dan contemporaine critici als Thomas Piketty en Naomi Klein, omdat hij stelt dat deze fout niet een kleine fout is die te herstellen valt binnen in het systeem, nee, het probleem is het kapitalisme zelf. Kapitalisme wringt je tijd uit je handen, zachtzinnig of hardhandig, het verleidt met hoge bonussen of het dwingt met onderbetaalde maar noodzakelijke arbeid om je tijd in te leveren. Niet alleen op de basis van de mythe van rationele economische agenten die opereren in een markt van vraag en aanbod, maar vooral door de opgelegde wet van de meerwaarde.

Alleen door een radicale koerswijziging, bijvoorbeeld door een individuele ontsnapping uit het systeem, of, zoals Hägglund betoogt, een collectieve hervorming van het bestel, kan sociaal noodzakelijk werk worden gedefinieerd – dus: onderdak, voedsel, veiligheid, onderwijs, emancipatie en gezondheidszorg – en opgeleverd, waardoor de overige tijd die ontstaat werkelijk ‘vrij’ is. Dit betekent dat we die tijd kunnen aanwenden om onszelf en de maatschappij verder te ontwikkelen, door te onderzoeken en te bespreken ‘wat voor ons belangrijk is’. Zoals de Zweed het stelt: ‘Onze eigen levens – onze enige levens – worden ons ontnomen wanneer onze tijd aan ons wordt onttrokken. (…) Het systeem behandelt de negatieve maat van waarde (want: afnemen van je tijd – ph) alsof het de positieve maat van waarde is (want: meeropbrengst – ph) en behandelt daarmee de middelen van het economische leven alsof ze het doel van het (economische) leven zijn.’ Zo is de ‘volkswijsheid’ if it’s making money, it ain’t stupid door de meeste mensen geïnternaliseerd, zelfs dus als dat ten koste gaat van hun meest waardevolle bezit: hun tijd.

Het laatste en meest indrukwekkende deel van Hägglunds boek is een beschouwing over Martin Luther King Jr. (wiens favoriete filosoof Hegel was). Hägglund toont dat King, hoewel hij geloofde in een ‘land van melk en honing’ na de dood, ook vond dat al Gods kinderen reeds op aarde in een paradijs zouden moeten wonen. De schrijver citeert uit Kings laatste toespraak, op 3 april 1968: ‘It’s alright to talk about the new Jerusalem, but one day, God’s preacher must talk about the new New York, the new Atlanta, the new Philadelphia, the new Los Angeles, the new Memphis, Tennessee. This is what we have to do.’

Die ‘one day’ was voor King zijn eigen tijd, daarom was hij zijn Poor People’s Campaign begonnen. Maar de religieuze denker en voorvechter van gelijkheid vreesde aan het einde van zijn leven ook dat hij zijn volk ‘een brandend huis in had geleid’, dat van het kapitalisme. Want zolang de wet van de meeropbrengst centraal staat in een maatschappij, was gelijkheid uitgesloten. In het kapitalisme is asymmetrie wenselijk, want het levert goedkope arbeid op. Dat is waarom King, volgens Hägglund, aan het eind nadacht over andere samenlevingsvormen en economische modellen dan de American Dream, kapitalisme in zijn meest rauwe vorm. Het was zelfs het onderwerp van Kings laatste toespraak, in Memphis: geen interne verandering van het systeem, maar een radicale omwenteling. Maar voordat hij hierover verder kon denken en spreken, werd hij vermoord.

Filosofische kritiek op religie en kapitalisme is eenvoudiger te geven dan een blauwdruk voor de toekomst, en Hägglund is op zijn meest kwetsbaar als hij over dit project spreekt: de omwenteling van kapitalisme naar socialisme, een economische orde waarin niet economische zelfzuchtigheid en winst en groei centraal staan maar menselijke tijd en vrijheid (van tijd). Een maatschappij, zo stelt de Zweed zich voor, waarin iedereen meehelpt met de vuilnisophaal, woningen niet voor winst mogen worden gehouden (en verkocht! problematisch!) en we de tijd hebben om te denken, praten, verkennen en maken. Ons leven gemeten in vrijheid, schoonheid (ook letterlijke schoonheid: die van de leefomgeving), veiligheid, duurzaamheid en rechtvaardigheid in plaats van winst. Hägglund is zich ervan bewust dat het kapitalisme tegenwoordig een mondiale kracht is, en dus dat het te boven komen van het kapitalisme een mondiale alliantie vereist van democratische socialistische staten. Maar het is ook de enige wijze om te zorgen dat de mens de geschiedenis schrijft, en niet andersom.

Vroeger noemden ze zoiets een utopie, een woord dat tegenwoordig al snel een cynische ondertoon kent. Het is verfrissend en nederigstemmend te zien dat mensen als King daar lak aan hadden: hij had een droom en hij ging ervoor. Dat, zoveel is na lezing van This Life wel duidelijk, is werkelijke vrijheid.