Russische troepen vieren orthodox Kerstmis in de hoofdkathedraal van de Russische strijdkrachten bij Moskou, 7 januari. Foto van het Russische ministerie van Defensie © Russian Defense Ministry Press Service via AP / ANP

2023 begon voor Oekraïners en Russen met een mooie boodschap: dit jaar komt er een einde aan de oorlog. De Oekraïense en Russische presidenten, Zelensky en Poetin, vertelden dat aan hun bevolking in hun Nieuwjaarstoespraak. Helaas sloten hun beloften elkaar uit. Beiden kondigden aan dat 2023 het jaar wordt van de overwinning.

Op het slagveld ziet het er daar voorlopig niet naar uit. De oorlog is in een ‘transitiefase’, schrijven veel militair analisten, met Rusland en Oekraïne die beide nieuwe offensieven voorbereiden, met mogelijk een nieuwe Russische mobilisatieronde, en met Europese landen die schuifelen richting het leveren van gevechtstanks aan Kyiv. Al verschoof de frontlijn de laatste maanden maar weinig, gestold is de oorlog zeker niet.

Ook buiten het front is er weinig uitzicht op vrede. De landen praten niet met elkaar, in ieder geval niet officieel, en hun uitgangspunten voor een gesprek liggen mijlenver uiteen. Zelfs van een (halfhartig aangekondigd) Russisch kerstbestand kwam niets terecht. Aan het begin van een jaar waarin Europa’s grootste landen met elkaar in oorlog zijn, is het daarom een belangrijke vraag: hoe komen oorlogen eigenlijk aan hun einde?

Het is een geruststellende conclusie dat alle oorlogen uit de geschiedenis dat uiteindelijk hebben gedaan. Maar dat is vaak een ander einde dan mensen zouden verwachten. Onderzoekers van Princeton University becijferden dat van alle oorlogen sinds de Tweede Wereldoorlog een op de vijf eindigde in een overwinning van de één op de ander. Dertig procent eindigde met een staakt-het-vuren dat permanent werd en slechts een op de zes sloot af met een vredesakkoord – waarvan een op de drie binnen een paar jaar de papiervernietiger in kon.

Dat betekent dat de restgroep het grootst is: een derde van alle recente oorlogen had geen helder einde, maar liep uit op een patstelling of een ‘bevroren conflict’ met een lage intensiteit. Rusland en Oekraïne hebben daar ervaring mee. In 2014 viel Rusland de facto Oekraïne binnen, onder het voorwendsel dat het burgers beschermde in twee opstandige provincies. Tot 2022 zaten de twee landen vast in precies zo’n bevroren, af en toe oplaaiend conflict; een terugkeer naar die toestand is een levensgrote mogelijkheid.

De geschiedenis van oorlog is lelijk: zowel de manier waarop oorlogen worden gevoerd als de manier waarop ze worden afgehecht. Die afhechting is niet alleen vaak onbevredigend, maar duurt ook vaak heel lang. Dat komt, concludeerde de Zwitsers-Amerikaanse socioloog Fred Iklé in Every War Must End, doordat het een stuk makkelijker is om een oorlog te beginnen dan om die te beëindigen. Dat punt is door talloze onderzoekers bekrachtigd: oorlogen duren vaak veel langer, zijn veel duurder en leveren veel minder op dan de leiders die ervoor kiezen vooraf denken. Leiders zouden dat op de binnenkant van hun ogen moeten laten tatoeëren, suggereerde de Amerikaanse politicoloog Stephen Walt, want het gaat steeds opnieuw fout. En dat niet alleen: als ze eenmaal zijn begonnen laten leiders ook steevast veel langer doorvechten dan rationeel te verklaren is uit de te verwachten baten.

Een eerste probleem is informatie. Oorlog is, volgens een klassieke visie van de Australische historicus Geoffrey Blainey, het gevolg van een diplomatieke crisis waarbij de leiders van twee landen onverenigbare visies hebben op de relatieve onderhandelingskracht van hun landen. Oorlog zelf verschaft hun vervolgens ‘de meest betrouwbare en objectieve test’ van die kracht. Als die test is uitgevoerd, kunnen de landen overgaan tot ‘een ordelijke markt van politieke macht, oftewel vrede’.

Maar dan moet de leider die voor oorlog koos wel de juiste informatie krijgen over de krijgskansen op lange termijn. En die informatie is zelden kraakhelder: in een oorlog zijn er altijd negatieve, positieve en onduidelijke signalen te vinden over hoe de strijd gaat, en dan slaat de neiging toe om de positieve trends te benadrukken: door een regime zelf, door mensen in de militaire hiërarchie en door mensen rond de leider. Geconfronteerd met al die gemengde signalen en jaknikkers verkiezen leiders vaak om voorlopig maar door te vechten en te hopen op een verbetering, in plaats van om een compromis na te jagen.

Het doorgeven van de juiste informatie en het maken van een betere inschatting van de oorlogskansen gebeurt zelden door de mensen die verantwoordelijk waren voor de foutieve inschatting waar alles mee begon. Every War Must End van Iklé toont aan dat het einde van oorlogen vaak wordt ingezet doordat een land nieuwe leiders krijgt, of op z’n minst doordat de leider zijn entourage vervangt. In Rusland zie je juist dat Poetin zijn getrouwen als een schild om zich heen houdt. In oktober verving hij zijn stafchef Gerasimov als hoogste verantwoordelijke voor de oorlog in Oekraïne, maar in januari schoof hij Gerasimov weer terug, mogelijk omdat hij niet gediend was van het beeld van de oorlog dat de tijdelijke commandant Soerovikin hem voorschotelde. De overduidelijk incompetente defensieminister Sjojgoe (ingenieur, geen militair) blijft eveneens zitten.

Poetin moet ervan overtuigd raken dat hij zijn oorlogsdoelen niet op het slagveld kan behalen

Ook als leiders informatie over de oorlogskansen prima begrijpen (zoals de Amerikaanse en Britse regering tijdens de Vietnamoorlog en de Eerste Wereldoorlog) geven ze die, om de oorlogsmoraal niet te ondergraven, vaak niet door. Dat maakt dat bevolkingen soms maar weinig druk kunnen uitoefenen om een desastreuze oorlog te beëindigen (hij gaat toch goed?) en dat een compromis met de vijand voor de bevolking moeilijker te accepteren is. Als een leider een stevige greep op informatie heeft, kan hij het zich permitteren om (zelfs tegen beter weten in) te wachten op een ommekeer, zoals George W. Bush in Irak.

Een tweede probleem is dat van ‘ingezonken kosten’. Leiders hebben de neiging om de al gemaakte offers – in levens, geld, verwoesting – te willen rechtvaardigen met voldoende winst. Dat betekent dat hoe langer een oorlog duurt, hoe moeilijker het wordt om hem af te sluiten. Dit is een irrationeel, maar ook menselijk effect. Vanwege die gemaakte offers verhardt ook het beeld dat beide landen van elkaar hebben. Dat verkleint vervolgens weer de mogelijkheid om met elkaar te praten, omdat dit makkelijk als verraad aan de gevallenen wordt beschouwd. Het is daarom niet waar dat ‘oorlogsmoeheid’ een belangrijke reden voor vrede is: vanwege ‘ingezonken kosten’ vechten ook ‘oorlogsvermoeide’ landen vaak nog lang door.

Kosten zijn ook op een andere manier een probleem. Grote landen kunnen het zich vaak permitteren om door te vechten. Oorlogen zijn duur, maar gezien het budget van een grootmacht is dat vaak niet schrikbarend. Dat geldt ook voor Rusland. De invasie van Oekraïne was er een die Moskou zich kon veroorloven, en hoewel de kosten zijn verhoogd door westerse sancties, heeft dat voorlopig nog geen effect op de oorlog. Die betaalbaarheid maakt dat leiders het zich kunnen veroorloven zich zorgen te maken over andere dingen: over de geloofwaardigheid van hun land of zichzelf, de nationale eer, of hun historische lotsbestemming.

Een heel ander probleem is dat landen die onderling oorlog voeren een compleet ander idee kunnen hebben van waar ze eigenlijk mee bezig zijn – en dus ook over wat er nodig is voor vrede. Dit speelt heel sterk in de huidige oorlog. Oekraïne vecht voor zijn voortbestaan. Maar Rusland – in de voorstelling van Poetin – vecht niet voor het veroveren van zijn buurland. Poetins Nieuwjaarstoespraak was een illustratie van zijn overtuiging dat de echte tegenstanders niet de Oekraïners zijn, maar ‘westerse elites, die Oekraïne gebruiken om Rusland te verzwakken en verdelen’. Poetin, met andere woorden, lijkt ervan overtuigd dat hij voor een werkelijk vredesverdrag – een waar Rusland wat aan heeft – niet moet praten met Oekraïne, maar met het Westen. Oftewel: met de VS.

Het perspectief van de Oekraïense regering, en van haar bondgenoten, maakt zulke onderhandelingen uitgesloten. Geen enkele westerse regering is bereid om over Kyivs hoofd heen over Oekraïne te gaan praten, en Kyiv is ook duivels op elk teken daarvan. De Franse president Macron ondervond dat in tien maanden tijd al drie keer. In december voor het laatst, toen hij suggereerde dat een vredesregeling ‘veiligheidsgaranties voor Rusland’ zou moeten bevatten. Kyiv was woedend: veiligheidsgaranties vóór de agressor in plaats van tegen – een non-starter. Macron heeft niet helemaal ongelijk: onderzoek toont aan dat vredesakkoorden veel bestendiger worden als ze ‘dik’ zijn – oftewel met zo veel mogelijk landen erbij betrokken en zo veel mogelijk bepalingen. Maar voorlopig is er rond Oekraïne een diplomatieke patstelling: de enige gesprekken waar de agressor werkelijk in geïnteresseerd is, zijn gesprekken die hij niet zal krijgen.

Maar er waren in het eerste oorlogsjaar in Oekraïne niet alleen maar vege tekenen. Een obstakel voor vrede is vaak dat leiders de complete overwinning beloven en hun bevolkingen dat verwachten. Maar in Oekraïne heeft de agressor – de Russische regering – al een paar keer zijn oorlogsdoelen naar beneden bijgesteld zonder dat dit tot noemenswaardige ophef of zelfs maar tot een gesprek leidde in eigen land.

Het officiële doel van Poetins ‘speciale militaire operatie’, zo verklaarde hij op 24 februari, waren ‘denazificatie’ en ‘demilitarisatie’ van Oekraïne. Zijn minister Lavrov verhelderde dat dit ‘de verwijdering van het Oekraïense regime’ inhield. Na een maand liet het Kremlin dit los en begon te praten over ‘de bevrijding van de Donbas en de verdediging van haar burgers’ als primaire oorlogsdoel. Dit werd de officiële lijn. Hetzelfde gebeurde met de uitbreiding van de EU en vooral de Navo: voorkomen dat zij richting Rusland opschoven was volgens defensieminister Sjojgoe in maart nog ‘het belangrijkste ding’. Later in het jaar accepteerde Poetin achteloos het voorgenomen Navo-lidmaatschap van Zweden en Finland en de belofte van EU-uitbreiding met Oekraïne.

‘Winst’ in Oekraïne, kortom, is voor Rusland wat Poetin zegt dat het is – en Poetin draait mee met de feiten die niet te ontkennen of verdraaien zijn. Dit opent, voor wie de literatuur over het beëindigen van oorlogen volgt, een pad naar het einde. De belangrijkste voorwaarde voor vrede, concludeerde Geoffrey Blainey in The Causes of War, is dat leiders die een foutieve inschatting hadden van de ‘onderhandelingskracht’ van hun land, via oorlog op de correcte verhouding worden gewezen.

In het geval van Oekraïne kan dat alleen maar betekenen dat Poetin ervan overtuigd raakt dat hij zijn oorlogsdoelen niet op het slagveld kan behalen. Dat maakt niet ‘internationale druk op Rusland en Oekraïne’ een sleutel tot vrede, zoals een oproep tot onderhandelen van Nederlandse notabelen in december stelde, maar de internationale steun aan Kyiv die Poetin overtuigt van de ‘correcte onderhandelingskracht’ van zijn land. Geen woorden maar tanks. Het afgelopen jaar suggereert dat een nieuwe Russische pirouette in oorlogsdoelen dan mogelijk is. Maar het suggereert ook dat er meer oorlog in het verschiet ligt, voordat dit punt wordt bereikt.