Een week in de best verkochte auto

Geen Youp van ’t Hek die deze middenklasser klein krijgt

Deze herfst was de eco-verantwoorde Toyota Prius de best verkopende auto van Nederland. Kan niet missen in tijden van crisis, met zoveel ‘groen’ belastingvoordeel. Maar na een week rijden kwam Bas van Putten erachter dat de populariteit niet fiscaal te verklaren is, maar sociologisch.

Medium toyota prius web

DE NIEUWE TOYOTA PRIUS, de derde generatie van het echt wel heus waar baanbrekende hybride-model, was in september de best verkochte personenwagen in Nederland. Zelfs de populaire Volkswagen Golf, nota bene net op de markt, werd met 964 exemplaren ruim voorbijgestreefd door 1236 Priussen. Op een markt in crisis is dat buitensporig, zo buitensporig dat de Toyota-top kwam overvliegen om zich bij de Toyota-importeur te Raamsdonksveer te laten bijpraten over het polderlandse Prius-wonder. Er is waarachtig iets veranderd in dit land.
Prius-gekte bestaat sinds de eerdere Prius II door Amerikaanse filmsterren werd gepamperd tot icoon van een radical chic die ook te onzent tere snaren raakte, zij het dat hier de showing off drie tonen lager zingt. De Prius is in Nederland het tegendeel van glamoureus. Ongewoon aan de laaglandse Prius-hype is dat het om een hoogst ongewone auto gaat die door veel zeer gewone mensen onopvallend keurig wordt bereden. Ongewoon is dat zijn aantrekkingskracht niet berust op eigenschappen die tot op heden overal bepalend zijn of waren voor de verkoopkansen van een nieuw model: dynamiek van de vormgeving, bijzondere prestaties, begeerlijkheid van het merk. De op minimale luchtweerstand getrimde vijfdeurs is wederom geen Adonis. Met een voor zijn klasse modaal vermogen van 136 pk is hij sneller dan de Prius II, maar met een topsnelheid van 180 blijft hij de muurbloem van de Autobahn, waar elke kleine middenstander op de sokken de tweehonderd haalt. Toyota’s staan door hun betrouwbaarheid weliswaar hoog aangeschreven, in jongensdromen komen ze niet voor. Toch wil of moet heel doorsnee Nederland, in de gloriedagen van het roofkapitalisme collectief tot imponeergedrag vervallen, aan de Prius. Hoe komt dat?
Het simpelste antwoord: boekhoudkundig inzicht. Voor zijn krankzinnige verbruik van een beloofde 1 op 25 en zijn extreem lage CO2-uitstoot van 89 gram per kilometer, die hem tot de schoonste personenauto van zijn klasse maakt, beloont de overheid de Prius-rijder met een pretpakket van fiscale stimuleringsmaatregelen. Vrijstelling van BPM (Belasting Personenwagens en Motorrijwielen) maakt hem duizenden euro’s goedkoper dan zijn vuile concurrenten. Leaserijders betalen voor het privé-gebruik van de auto een eigen bijdrage of bijtelling van veertien procent over de aanschafprijs, het laagste tarief voor milieuvriendelijke personenwagens. Een korting van 75 procent op de wegenbelasting maakt het feest compleet. Daardoor kopen ideale schoonzoons voor vanaf 25 mille een geavanceerde auto die met BPM boven de dertig had gekost. Dat laat de uitgegokte burger zich geen twee keer zeggen. Toyota mag de fiscus op de knieën danken.
Daarnaast zou je op een gegroeid milieubewustzijn kunnen wijzen. Eco is cool. Maar cool is de Prius juist niet, niet kamerbreed. Petrolheads beschouwen hem als de Kadett van onze dagen. Hij heeft een stigma: brave burgerbak. De calculerende aard van de Prius-rijder keert zich tegen hem. Hij rekent zich rijk, terwijl de ware automan niet op de centen kijkt: geen prijs te hoog voor het genot, fuck eco.
Een derde koopprikkel zou het sf-gehalte van de Prius kunnen zijn. Hij biedt betaalbare avant-garde die een stilaan vergrijzende Nintendo-generatie door het tempo van zijn evolutie blijvend fascineert en compensatie biedt voor het bezwaarde offer aan de ozontotem. Van de hybride toverij mag de nieuwigheid af zijn, het blijft een fascinerend fenomeen, een voertuig met elektromotoren die een viercilinder benzinemotor ondersteunen en die de Prius, zolang de accucapaciteit het toestaat, kortstondig geheel elektrisch kunnen voortbewegen. Het digitale dashboard van de nieuwe overtroeft dat van zijn voorganger met spectaculaire graphics van verbruiksstatistieken, ditmaal per minuut, en nog geraffineerder beelden van de energiestromen tussen de componenten van de aandrijflijn. Op het scherm is te zien hoe tijdens het remmen de accu wordt opgeladen met uit remenergie gewonnen elektriciteit, wanneer de Prius uitsluitend elektrisch rijdt en wanneer bij het optrekken, voor het oor harmonieus, de benzinemotor zijn elektrobroeders uit het slop trekt. Dat snufje bling is troost en geste tegelijk: verleidelijke gedachte dat de Prius ook door de zorgvuldigheid waarmee hij verantwoording aflegt een kind van zijn tijd is. Hij doet wat alle Prius-rijders op commando van hun sjoemelende broodheren verlangen: hij toont efficiency en transparantie. Correcter wordt het niet.
Daarmee zijn niet alle Prius-vragen opgehelderd. Hoe komt het dat, als de boekhouder beslist, de Prius populairder is dan de hybride Honda’s die voor minder geld vergelijkbaar digitaal vertier en een vergelijkbaar verbruik bieden? Waarom koopt of least de Prius-rijder in zijn prijssegment van 25 tot 35 mille geen diesel-Golf die net of bijna net zo zuinig is? Omdat zijn baas hem per se in een Prius wil? Is het marketing, is het de wervende kracht van de Prius-tv-spotjes met de pronte Britse Fifth Gear-presentatrice Vicky Butler-Henderson? Is hij beter, slimmer, sneller dan zijn concurrenten? Profiteert hij van het misverstand dat hij de eerste in zijn soort was, the true original? Of bestaat er een Prius-specifiek geheim, en is het ontcijferbaar?

IN DE HOOP te doorgronden wat, behalve de PlayStation-tactiek, de beroepshedonisten van de Nederlandse leasedivisie plat kreeg voor de Prius, ga ik een week met hem op stap. Mijn testauto is een parelmoerwitte Prius Dynamic, de op een na duurste in het Prius-gamma. Het is een teken des tijds dat je voor de iets meer dan 31 mille die hij moet kosten al van gouden borden eet. Luxe is dermate geïnflateerd dat autofabrikanten met hun middenklassewaar hun steeds overbodiger topmodellen tot randverschijnsel kannibaliseren. De Dynamic heeft automatische airconditioning, een radio-cd-speler, een licht- en regensensor, een fullscreen navigatiesysteem, een achteruitrijcamera voor bij het inparkeren en een head up-display dat snelheid, navigatie-instructies en verbruiksinformatie goed zichtbaar op de voorruit projecteert. Net als Smart Entry, waarmee de Prius zonder sleutel kan worden geopend en gestart, is dat display al standaard op de basisversie.
De hoofdzaak is: ik heb geen klagen. De Prius is qua generositeit weer wat Japanse auto’s vroeger waren: veel voor weinig.
Zo sterk als de buitenkant doet denken aan de Prius II, zo anders is het interieur. Het wordt gedomineerd door een zwevende, met knoppen en schermen bezaaide middenconsole, die met net niet frivole designwuftheid een brug slaat van het dashboard naar de overmaatse middenarmsteun met praktisch ruimbemeten opbergvak. Halverwege dit viaduct bevindt zich, beter bereikbaar en hanteerbaar dan het armetierige joystickje van de Prius II, het gelikt ontworpen tweekleurige pookje van de automatische versnellingsbak, bij nacht en ontij kek verlicht met een geniepig plafondspotje. Het welbehagen dat de omgang met dit schakelmechaniekje oproept is bezadigd freudiaans.
Er is niet veel dynamiek aan de Dynamic, behalve dat hij grotere velgen heeft dan de goedkoopste. Motorisch zijn alle Priussen gelijk en dat is goed zo. Hij rijdt en zit uitstekend, beter dan zijn voorganger. Het vermoeide geloei van de benzinemotor bij vol optrekken is verdwenen, de wat vage rij-eigenschappen van de Prius II zijn krachtig bijgepunt, de binnenruimte is riant en indrukwekkend is op kruissnelheid de rust in de cabine, sinds jaar en dag een van de grootste zegeningen in Toyota-middenklassers. De gebleven praktische nadelen als de onoverzichtelijke koets en de beperkte kofferruimte daargelaten is de voorheen wat hulpeloos sturende one trick pony veranderd in een alleszins normale, goed hanteerbare auto.
Rest zijn unique selling point, zijn verbruik. Sommige autojournalisten maken er een sport van de gehate brave broeder in zijn hemd te zetten door hem plankgas naar de 1 op 17 te jagen. Hoe ze het flikken is een raadsel. Tijdens mijn eerste, voor de Nederlandse verkeerssituatie representatieve rit van de Toyota-importeur in Raamsdonksveer naar Drenthe haal ik, geruisloos meeglijdend met het spitsverkeer van de vrijdagmiddag, zonder excessieve zelfbeheersing een verbruik van bijna 1 op 24. Voor een relatief grote, luxueus uitgeruste familiewagen van bijna 1350 kilo is dat een spectaculaire prestatie. Alleen compacte diesels en mini’s als de Suzuki Alto of Toyota Aygo komen in de buurt van dit cijfer: een reguliere benzine-auto van dit formaat verbruikt al snel het dubbele.
Na 920 kilometer stads- en snelwegverkeer registreert de boordcomputer een gemiddeld verbruik van 1 op 22,7, minder dan de fabrikant belooft maar een formidabele en realistische score, die je als aankoopargument niet van tafel krijgt. Aan brandstof heeft mijn Prius-week me niet de helft gekost van wat de zuipende turbo van mijn dertien jaar oude Volvo stationcar me in rekening had gebracht, terwijl ik veiliger, stiller, luxueuzer en even ruim onderweg was. Het geeft te denken wat vooruitgang kan betekenen, en wat mijn vrijwillige zelfcensuur achter het stuur aan nieuwe inzichten heeft voortgebracht over de toestand op de Nederlandse wegen.
Ik heb de Prius bereden zoals iedere bekeerling doet. Ik heb me niet misdragen. Ik heb me keurig aan de maximumsnelheid gehouden. Ik heb zorgvuldig geanticipeerd, de cruise control waar mogelijk benut, de auto energiebesparend laten uitrollen voor stoplichten of naderende files, mijn rijstijl afgestemd op de genadeloze mores van de Hybrid System Indicator, die je exact laat zien hoe kostenefficiënt je vaart. Ik heb gedaan wat me als autoliefhebber vreemd is, op de kleintjes letten. Er zat ook niet veel anders op: de weg is vol met BMW’s die nog steeds net doen of ze harder kunnen. De slotsom luidt niettemin dat ik weinig heb gemist van wat me altijd dierbaar was aan autorijden: stilte en eenzaamheid. Met mijn afgedragen pret-Volvo ben ik niet sneller onderweg. Hard gaat niet meer. Vooruit dan maar, doe mij een Prius.

DE PRIUS markeert de capitulatie voor een nieuwe nuchterheid die eerst gedwongen boog voor het verkeersinfarct en het emissiespook, maar zich heeft neergelegd bij het onvermijdelijke. Hij symboliseert de overwinning van het pragmatisme op de tot welvaartshysterie verworden autofilie van de mannenbroeders onder de tapijtverkopers en hypotheekadviseurs. Geen Youp van ’t Hek die hem klein krijgt. We zijn de statusgevoeligheid voorbij en tonen met de Prius, triomfantelijk bevrijd, de overwinning van die zwakte. Kom maar op met je Audi’s: genoeg is genoeg. Het is mooi geweest. Dit moet zijn geheim zijn, hoe hard zijn vijanden ook blijven roepen dat hij zonder zijn BPM-bonus een randverschijnsel was gebleven. Ik geloof daar niets van. Je moet hem sociologisch duiden, niet fiscaal.
De Prius-Nederlander rijdt tevreden in een prototypische familiebak. Zelfs zijn Golf laat hij staan. Die is, hoe zuinig ook, relict geworden van een ander normenstelsel, waarvan prestaties, rijgenot en ‘uitstraling’ de hoekstenen vormden. De Prius spaart benzine, kool en geit. Dat is wat de Prius-rijder kalm berustend uitdraagt: ik, goed mens. De nieuwe keurigheid heeft een naam, en die nieuwe keurigheid heeft de toekomst. Mijn zoon jengelt niet zoals veel jongens van zijn jaargang om een BMW, hij vraagt mij een hybride aan te schaffen. Ik kan mijn veertienjarige niet gelukkiger maken dan door samen met hem, in het holst van de nacht, elektrisch en emissievrij door het dorp te glijden. Naast mij hoor ik hem namens de ozonlaag, onschuldig gehersenspoeld door brave educatieprojecten, zijn dankbaarheid betonen aan Toyota, terwijl ik achter het stuur met vage weemoed terugdenk aan de Porsches en Ferrari’s die in de jaren zeventig de muren van mijn jongenshol bedekten. Dieper kan de generatiekloof niet zinken. Maar als het toch nooit meer zo wordt zoals het was, dan zo maar.