Toneel

‘Geen ziel zal om me treuren als ik sterf’

TONEEL Richard III

Richard van Gloucester is net uitgeroepen tot koning Richard de Derde. Dat gebeurde in een bizarre show, waarin de fastforwardknop van een videorecorder bleef ingedrukt – de bewegingen van de lippen liepen niet synchroon met de teksten. Daarna is Richard alleen. Hij bereidt zich voor op de taak van koning-dictator. Hij improviseert een speech in een stotterend koeterwaals met flarden Italiaans, maaiende armen en een wijdopen, kwijlende muil, parodie van de Italiaanse dictator Benito Mussolini. Plotseling valt hij stil. Hij sleurt zijn verminkte lijf onhandig naar een stapelbed. En hij zegt: ‘Ich bin ein Mensch.’ Doek. Pauze.

Het toneelbeeld (Thomas Rupert) ziet eruit als een Kraft durch Freude-gemeenschapslokaal van de FdJ, de jeugdbeweging in de voormalige ddr. Doorrookte bruine wanden, geen ramen, een paar luchtroosters, een stapelbed, een tafel, wat stoelen, in de achterwand de suggestie van eindeloze gangen. Drie elementen verstoren de echtheidsillusie. In de zoldering hangt een reusachtige hersenkwab, een tumor. Links ligt het kadaver van een paard, opengereten. En op het opgemaakte bed ligt een lijk waaruit een dorre boomtak is gegroeid.

De openingsscènes van Shakespeare’s Richard III (RO Theater in de regie van de Duitse regisseur Andreas Kriegenburg) zijn op een slimme manier door elkaar gesneden, wat de helderheid van de vertelling ten goede komt – we worden meteen in een machtsspel gezogen. Een burgeroorlog lijkt ten einde, er is een koning die vredelievend oogt, zijn broer Richard van Gloucester wil hoe dan ook de macht, hij begint medestanders te sprokkelen en (potentiële) tegenstanders uit de weg te ruimen. Naast Rogier Philipoom, die als Richard de hele avond prominent op de speelvloer aanwezig is, spelen zes toneelspelers alle andere rollen. Ze doen dat door in het zicht van de toeschouwer van kleding, van toon en van gestiek te wisselen. Als publiek moet je geduldig meewerken, dat geduld betaalt zich op den duur ruimschoots uit. Neem Katelijne Damen. Zij speelt de wankelende heks Margaretha, koningin-moeder, weduwe van koning Hendrik VI. Eén jurk en wat kreunen verderop is ze de ratelslang hertogin van York, moeder en vervloekster van Richard. Eén jas verder – en een simpele spuugslag door haar pruik: ziedaar, de medestander van Richard, staatsgreepdeskundige Buckingham.

Richard III van Shakespeare is, toegegeven, een jeugdwerk. Maar wel een jeugdwerk met allure. Hij wilde in de politiestaat van Elisabeth I een groot verhaal vertellen over machtshonger, manipulatie van feiten, onrechtmatige martelingen, kindermoord. Dat was riskant. Hij koos een vorst uit een vorig koningshuis, maakte van die vorst een karikatuur, een moordmachine. De jonge Shakespeare was ambitieus en hij kon zijn gang gaan. Hij pakte uit met een groot verhaal. Andreas Kriegenburg en zijn ensemble hanteren grote middelen. Bijvoorbeeld: Richard III wordt in Shakespeare’s vertelling weggezet als een kindermoordenaar: hij laat de kroonprins en diens broertje in de Tower met een kussen smoren door een huurmoordenaar. In het stuk krijgen we dát niet te zien, er wordt alleen verslag van hun dood gedaan. Die twee jochies lopen wel door de vertelling heen. Schrap je ze? Dat kan en het gebeurt ook vaak. Onzichtbare kinderstemmen en verder alles overlaten aan de verbeelding van de toeschouwer, zoals dat deftig heet. Hier komen de twee kinderen op een hinderlijke manier aan het woord én in beeld. Fania Sorel en Dragan Bakema dragen grote Disney-poppenhoofden, praten pieperig en naïef door hun rode maskermondjes met daaronder die bijna blote kinderlijfjes. Dit is geen vondst meer, dit heet een ingreep. De kindermoordenaar – ook gespeeld door Dragan Bakema – komt na de moord in de Tower vertellen hoe dat vuile werk verliep. Een monoloog waar je het als toeschouwer koud van krijgt.

Richard, de hinkepoot met de lamme hand, wordt hier gespeeld door Rogier Philipoom. Ik heb hem nog niet eerder zien spelen, althans niet in zo’n prominente rol. Hij is dertig. Een ontdekking. Ik heb ademloos naar hem gekeken. In de twee bedrijven na de pauze speelt hij vrijwel alles alsof hij het koningschap en de onvermijdelijke Werdegang beleeft als een kwaaie droom, achter een kale tafel vol bloed en meel. ‘Geen ziel zal om me treuren als ik sterf.’ Een nachtmerrie van zelfbekladding en zelfdestructie. Toegegeven: de ingreep is een beetje gejat van Luc Perceval, het slot van alle koningsdrama’s van William Shakespeare op een rij, Ten oorlog, zo’n acht jaar geleden. Ongetwijfeld ook door Andreas Kriegenburg gezien in de Duitse bewerking van die voorstelling, Schlachten. Richards einde als inner monologue. En ook toegegeven: die twee laatste actes van Richard III zíjn op papier ondingen. Je moet er iets op verzinnen. En je hebt er een toptoneelspeler voor nodig. Rogier Philipoom speelt de nachtmerrie van Richards ondergang messcherp. Het jochie dat Richard is geweest hadden we voor de pauze al gezien. Nu verbeeldt hij de volgroeide volwassene die hij nooit heeft kunnen worden. Als een nietzscheaanse Ecce Homo valt hij uit zijn tijd. Eind van een voorstelling van on-Nederlandse grandeur. Gaat dit zien! Mis dit niet!

Richard III, RO Theater, te zien tot en met 8 november. www.rotheater.nl