Geen zin in moraalridders. Toedeledokie

Ik sta voor een stoplicht in Eindhoven. Rood licht. Alle rijvakken vol. Aanschuiven. Het is spitsuur in de stad en ik probeer op tijd in het theater te geraken. In een witte Fiat naast mij een jonge vrouw, ze is druk aan het appen op haar telefoon, kijkt zo nu en dan op. Het licht springt op groen, auto’s komen in beweging, het licht springt weer op rood en auto’s komen tot stilstand. De vrouw in de witte auto heeft het groene licht gehaald en in haar plaats staat er nu een grijze Volkswagen naast me: de chauffeur zit ook op zijn telefoon; in het kinderzitje op de achterbank een peuter die me aankijkt. Ik knipoog.

Het licht springt weer op groen, maar het mag niet baten: ik ben net te laat om door te rijden. Nu word ik geflankeerd door een meneer in een donkere Rover. Ook hij is met zijn telefoon bezig, weliswaar een ouderwetse Nokia waarop hij geen appjes kan versturen, maar hij is wel druk bezig een nummer in te toetsen. Hij moet mijn blik voelen, want terwijl hij de telefoon naar zijn oor brengt kijkt hij me aan. Tijd om de moraalridder uit te hangen: “Wat doe je nou?” gebaar ik naar hem en daarna schud ik m’n opgestoken wijsvinger heen en weer. De man lijkt even te schrikken. Yes, denk ik, het werkt, hij gaat nu zijn telefoontje wegleggen, z’n raam opendraaien en tegen alle anderen die wachten voor het stoplicht roepen dat het hem zo spijt, zo schuldig gaat hij zich voelen.

Uiteraard doet hij dat niet. Sterker: hij begint breeduit te grijnzen en zwaait naar me, terwijl hij knikt. “Ja, ik zit lekker te bellen achter het stuur,” lijkt dat knikken van hem te zeggen, “want ik kan dat. Ik ben namelijk een topchauffeur die dit allemaal helemaal onder controle heeft. En jij, bemoeizieke klootviool, moet je met je eigen zaken bemoeien. Toedeledokie en nu ga ik even verder met m’n vrouw bellen.”
Ik grijns ongemakkelijk naar hem terug en richt me weer op het stoplicht dat op groen springt. Ik steek het kruispunt over, de bellende man haalt me links in, beeindigt zijn gesprek tijdens dezelfde actie en gooit zijn mobieltje op schoot.

“Ja, ik zit lekker te bellen achter het stuur, want ik kan dat."

Het voorval met die laatste automobilist blijft me door het hoofd spoken. Ik moet denken aan een uitzending van een veelbekeken talkshow op een van de publieke zenders, een paar weken geleden. Te gast zijn een Brabantse volkszanger, een AD-columniste die een dag eerder het Sinterklaasbestand had voorgesteld en de vader van een op Texel doodgereden fietser. In die zaak, die in de wandelgangen het ‘whatsapp-ongeluk’ wordt genoemd is net uitspraak gedaan: de rechter achtte niet bewezen dat de verdachte achter het stuur had zitten appen.

De vader doet zijn verhaal. Over de uitspraak. Over een petitie die is gestart om het appen in het verkeer strafbaar te stellen. De andere gasten knikken begripvol. Dan vraagt de tafelheer aan de andere gasten of ze ook wel eens met hun mobiel bezig zijn als ze autorijden. De Brabantse volkszanger erkent dat hij wel eens een berichtje tikt. De columniste grijnst schaapachtig: “Dat ding ligt altijd standaard op mijn schoot.”
Ze kijkt naar de vader tegenover haar, murmelt nog iets van dat ze ook wel weet dat het eigenlijk niet kan. De vader zegt niets terug, kijkt haar alleen maar aan.

Intussen ben ik al naar de website waar de petitie staat gesurft om die meteen te ondertekenen. Het warrige verhaal over het Sinterklaasbestand, dat waarschijnlijk in de auto op een telefoon is getikt, volg ik niet meer.

Geen zin in moraalridders. Toedeledokie.