Geen zorgen voor morgen

JEAN BAUDRILLARD, de oppergoeroe van het postmodernisme, waarschuwde er al voor in zijn jongste werk L'illusion de la fin. De geschiedenis kent helemaal geen happy end naar het recept van Francis Fukuyama. Integendeel, de geschiedenis herhaalt zich alleen maar, en wel in de vorm van steeds groteskere karikaturen. ‘De geschiedenis kent geen vuilstortplaatsen’, aldus Baudrillard. ‘Ze is zelf een grote vuilstortplaats geworden.’

De jongste aanvaring van premier Kok met de Bredase bisschop Muskens biedt hiervoor een treffende illustratie. Dat we dat nog mochten meemaken: een sociaal-democratische premier met een vakbondsverleden die een gezant van Rome tot de orde moet roepen omdat deze openlijk flirt met de meer heavy vormen van de klassenstrijd!
Toch was verleden week vrijdag de woede van Wim Kok wel degelijk oprecht toen hij tijdens zijn wekelijkse persconferentie een vlammende boutade tegen de bisschop afstak. Muskens had het gewaagd om de onderliggende kaste van maatschappelijk verdrukten zijn herderlijke zegen te geven aan activiteiten als proletarisch winkelen. Kok vatte dit op als een ‘ernstige belediging’ aan het adres van zijn bloedeigen ouders, ploeterende handwerkslieden uit het klompenproletariaat van Bergambacht (Zuid-Holland), die 'ieder dubbeltje hadden moeten omdraaien, maar te trots waren om ook maar te wijzen in de richting van wat je niet toekwam’. Eind deze maand zou hij zich nog eens persoonlijk met de bisschoppen onderhouden, zo beloofde Kok. Hij keek erbij alsof al de r.k. gezagsdragers op het punt stonden zich geheel te verliezen in de spelonken van de sandinistische guerrilla.
Het was niet de eerste keer dat Kok zijn tobberige sociaal-economische afkomst in stelling bracht. In 1994, vlak voor de verkiezingen, vertelde hij in interviews omstandig hoezeer hij zelf als kind op Sinterklaasavond al content was geweest met een enkele pepernoot. Blijkbaar dachten zijn adviseurs dat het breedvoerig ten tonele voeren van deze kommervolle omstandigheden electoraal te exploiteren zou zijn. Kok had het in het sociaal-democratische partijkblad Pro over de 'warmte dat je als kind groot wordt zonder dat ongemak met luxe kan worden afgekocht’. En: 'Je moest het doen met elkaar en met wat je had, en dat was feitelijk niks en toch was er harmonie en geluk.’ Het was een neo-Dreesiaanse lofzang op de combinatie van armoede, trots en plicht. Het lied 'Toen was geluk heel gewoon’ zong de hele tijd als alternatief campagnelied op de achtergrond mee. Als minister van Financiën had Kok de natie weliswaar gedeeltelijk teruggevoerd naar de armoede, maar hijzelf kwam immers ook uit een arm nest. Dat schept toch een soort band, moet de pr-filosofie zijn geweest.
Het toch al vulkaanachtige gemoed van premier Kok komt telkens tot die kenmerkende erupties wanneer hij wordt geconfronteerd met de evidente uitvloeiselen van het paarse beleid ter dynamisering van de economie. In een brede laag van de bevolking is een grimmig verarmingsproces gaande. Geen Melkertbaan kan er iets uitrichten, en ook Karin Adelmunds 'social miles’ brengt niemand een stap verder. Het paarse werkverschaffingsbeleid in de vorm van banenpools en dergelijke is alleen een doekje voor het bloeden, een eigentijdse variant van de eenvoudige bosarbeid in de jaren dertig.
KOKS STEEDS FELLERE oproepen om toch vooral het fatsoen te bewaren, zijn aan dovemansoren gericht. Muskens heeft onomstotelijk gelijk als hij signaleert dat de politiek en de vakbeweging op het terrein van de armoedebestrijding jammerlijk falen.
In het vakbondsorgaan Zeggenschap van maart dit jaar verkondigde de bisschop al met verve de marxistische Verelendungstheorie, die wil dat de economische verwildering met alle draconische maatschappelijke taferelen eerst moet verergeren voordat de politiek wordt wakkergeschud. 'De nood moet kennelijk nog groter worden. Pas als er veel meer mensen niet meer rond kunnen komen, zal er wellicht een collectieve bewustwording plaatsvinden. De armen zijn nog niet arm genoeg. Het is een afschuwelijke constatering, maar ik zie helaas geen andere mogelijkheid. En ik denk ook dat we die kant op gaan. In het huidige systeem zijn een groeiende armoede en verzet gedetermineerd’, aldus Muskens. 'De werkelijkheid is dat we in een crisissituatie verkeren’, zo verkondigde de opvolger van de onfortuinlijke bisschop Bär verder. 'En in elke crisis vallen de zwakkeren af en worden de rijken steeds rijker. Er is een grote groep die structureel buiten het arbeidsproces staat. Weliswaar gaat het niet om dezelfde hoeveelheid mensen als in de jaren twintig en dertig, maar het zijn er genoeg om je er zorgen over te maken. In armoede doen ze weinig onder voor de armen van voor de oorlog. De politiek is er niet in geslaagd de armoede voorgoed uit te bannen. Ze corrigeert de afwijkingen niet meer die uit het economische proces voortkomen. Het gaat aleen nog maar om import- en exportcijfers, niet meer om mensen.’
Met zijn pleidooi voor proletarisch winkelen gaat Muskens weer een stapje verder. Daarbij opereert de bisschop overigens minder solistisch dan men zou denken. De paus spreekt zich ook in steeds flamboyantere bewoordingen uit over de verschrikkingen van het vrije-marktsysteem. Muskens hoeft zeker niet bang te zijn voor plotselinge excommunicatie vanwege al te linkse ideeën. Hij is op en top his master’s voice als hij in het gat springt dat de sociaal-democratische politiek en de zich op het terrein van de directe belangenbehartiging van werknemers terugtrekkende vakbeweging laten vallen. Het is onmiskenbaar een groeimarkt voor 'de Roomse verleiding’.
WIM KOK, DIE TOCH onmogelijk kan worden beschuldigd van ongevoeligheid ten aanzien van de tijdgeest, moet van deze ontwikkeling geheel doordrongen zijn. De groeiende kaste van de onbemiddelbaren is een schandvlek op de supergedirigeerde heilstaat die hem voor ogen staat, een maatschappij waarin opperst staatstoezicht-naar-Zweeds-voorbeeld samengaat met een steeds meer Amerikaans-flexibele arbeidsmarkt, waarin uitzendbureaus grossieren in tijdelijke contracten en waarbinnen het hele systeem van sociale zekerheid langzaam wegzinkt.
De grote steken die dit paradoxale, om niet te zeggen schizofrene systeem laat vallen, vormen de politieke achilleshiel van de premier. Het was daarom met lood in de schoenen dat Kok zich in mei dit jaar naar De Rode Hoed in Amsterdam begaf, alwaar een afvaardiging van links Nederland hem duchtig zou onderhouden over de schaduwkant van zijn bewierrookte bewind. De opluchting op Koks gelaat toen bleek dat zijn ondervragers, na listig manoeuvreren van strijdmakker Marcel van Dam, de soep niet al te heet wensten te eten, sprak boekdelen.
In de figuur van bisschop Muskens - wat de ware motieven van zijn campagne ook Einde van blok 7 mogen zijn - heeft Kok er nu een lastig probleem bij gekregen. Hij kan de roomse bezorgdheid over het verval van de samenleving niet blijven pareren met een verwijzing naar zijn eigen schrale nest. Uiteindelijk, zo zullen de critici opmerken, stond er voor 'Kruimeltje’ Kok aan het eind van de rit een vette beursregeling klaar, die hem naar het keurkorps van Nijenrode en vervolgens naar de toppen van de maatschappelijke hiërarchie zou brengen.
Collega Ritzen heeft er vervolgens voor gezorgd dat Koks lotgenoten van de jaren negentig een dergelijke lancering nooit zullen kunnen meemaken.
HET IS DAN OOK interessant te zien hoe Wim Kok zijn politieke agenda de laatste maanden geheel probeert te verleggen naar de exclusieve kunst van de futurologie. Agenda 2000 Plus, zo heet het met veel aplomb gebrachte, interdepartementale toekomstvisioen dat de paarse regering aan het samenstellen is. Daarbij is de blik strak op het volgende millennium gericht, soms zelfs tot achter het jaar 2025.
Het collectieve toekomstvisioen van het kabinet begon al bij de ministervergaderingen over de begroting van dit jaar. Tijdens informele brainstormsessies op het Catshuis mochten de bewindslieden zich naar hartelust uitleven met suggesties op elkaars werkterrein. Een vooral luxueus tijdverdrijf, daar het kabinet-Kok in al zijn ijver reeds halverwege de rit alle doelstellingen van deze regeringsperiode (groei van de werkgelegenheid, Nederland klaarstomen voor de Europese Monetaire Unie, afname van het financieringstekort) verwezenlijkte. Om te voorkomen dat de mogelijk daarop volgende politieke ledigheid zou leiden tot balorige onmin tussen de coalitiepartners (Jacques Wallages toenemende stekeligheden richting Frits Bolkestein waren al een veeg teken in die richting), belastte Kok zijn ministers met verplicht hemelbestormende projecten.
Een centraal overzicht van al deze activiteiten ontbreekt echter. De visioenen van paars, zo verzekeren de voorlichters van de bewindslieden, zijn tussen de regels door terug te vinden in de diverse nota’s die de regeringsploeg ten behoeve van de algemene beschouwingen heeft afgescheiden. Het zijn over het algemeen oproepen tot 'grote werken’ op het gebied van infrastructuur, energievoorziening en het sociale-verzekeringswezen. Daarbij ligt de nadruk telkens op 'onorthodoxe’ maatregelen, al blijft tot nog toe geheel onduidelijk waaruit die maatregelen dan zouden moeten bestaan.
Kok heeft niettemin heel zijn politieke gewicht in de schaal van Agenda 2000 Plus gegooid. Geestdriftig als een Amerikaanse handelsreiziger verkondigt hij deze leer op congressen voor wetenschappers en het ondernemerswezen. Het is een vorm van politiek pathos annex luchtfietserij waarbij Bill Clinton en Al Gore goed garen plegen te spinnen, maar die je eigenlijk niet zou vermoeden bij onze premier, in normalen doen toch de verpersoonlijking van het oud-Holllandse adagium 'doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’.
Vooralsnog is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat Koks plotselinge passie voor de futurologie vooral als vehikel dient om te ontsnappen aan de almaar groeiende zorgen rondom het heden. Waar blijft de Agenda 1996?