Geen zucht

Sommige verhalenbundels zijn vooral een veredeld verzameld werk: ze omvatten nagenoeg alles wat een auteur in de loop der jaren publiceerde, uiteenlopend van korte schetsen tot halve novelles. Het aangename aan zulke bundels is dat ze vaak de ontwikkeling in iemands schrijverschap laten zien, en soms ook de reikwijdte ervan, de verschillende tonen die een auteur probeert te hanteren. Maar indrukwekkender zijn doorgaans toch de verhalenbundels waarin de auteur duidelijk kiest voor eenheid, voor een wereld waarin weliswaar niet alle verhalen of personages direct met elkaar te maken hebben maar waarbij je toch steeds voelt: deze mensen dolen rond in hetzelfde landschap, en hun levens kruisen wellicht ergens buiten de pagina’s.

Het vogelalfabet behoort tot die laatste categorie. In deze collectie van zeven verhalen, geschreven door de Zuid-Afrikaanse debutant S.J. Naudé (1970), maken we kennis met stuk voor stuk ontheemde personages. Soms zonder dat ze het zelf doorhebben, altijd zonder dat ze het hardop uitspreken. Eigenlijk klinkt dat woord ‘ontheemd’ al veel te expliciet voor deze bundel: de stijl van Naudé is gespeend van iedere vorm van toelichting of sentimentaliteit. Hij schrijft als een leerling van Hemingway, strak en registrerend, alsof de gebeurtenissen door een camera zijn vastgelegd; de handelingen en dialogen krijgen we in detail mee, de achterliggende gedachten moeten we er zelf maar bij bedenken.

Medium naude 2c 20fanie

Het is een aanpak die alleen werkt bij echt krachtige dialogen, bij confrontaties die zo sprekend zijn dat verdere uitleg overbodig is – en gelukkig roept Naudé vrij achteloos scènes op die aan die eisen voldoen. Prachtig is het openingsverhaal Het busje (met een lengte van 62 pagina’s eigenlijk een bescheiden novelle) waarin hoofdpersonage Sandrien, begin veertig, verstrikt raakt in een ondoorzichtig web van stugheid, tegenwerking en corruptie. Als enige blanke in het Zuid-Afrikaanse dorp Bella Gardens wil ze de aan hiv lijdende bevolking helpen, maar haar pogingen stranden steeds opnieuw. Lokale ambtenaren laten zich niet door haar overtuigen, ze krijgt geen toestemming voor het verstrekken van inentingen en aidsremmers, en mag zelfs geen eten uitdelen aan langslopende kinderen. Want, zo zegt een collega berispend: ‘Morgen staan [anders] alle kinderen uit het dorp hier.’

Zelden las ik zo overtuigend over iemands monomane toewijding

Wat het verhaal zo sterk maakt, is hoe de toenemende frustratie van Sandrien wordt weergegeven. Ondanks de vruchteloosheid van haar pogingen verliest ze zich geen moment in emotionele bespiegelingen – we lezen alleen hoe ze, na het zoveelste oeverloze overleg, abrupt een kamer uit loopt of langdurig uit een raam staart. Andere auteurs zouden bij dergelijke scènes nog enige (dramatische) toelichting geven, een zucht hier, een noodkreet daar, maar in de gekortwiekte wereld van Naudé is zulke informatie niet nodig, hij weet precies wat er nodig is om zijn verhaal zo effectief mogelijk vorm te geven. Dat grote vertellerstalent wordt ook onderstreept wanneer hij halverwege het verhaal, net wanneer Sandriens relaas wat repetitief begint te worden, een wending invoegt die het hele verhaal op scherp stelt: Sandrien wordt zelf ernstig ziek. En weigert elke vorm van behandeling. Ook dit wordt niet nader uitgelegd, we lezen louter hoe ze de doktersadviezen negeert, hoe ze daarover ruzie krijgt met haar vriendje, hoe ze zich met nog meer overgave richt op haar werk. Zelden las ik zo overtuigend en geloofwaardig over iemands monomane toewijding. Kernzin: ‘Ik wil wat er nog over is van mijn leven niet reduceren tot het beperkte verdriet van de bevoorrechte kankerlijder.’ Het vriendje vertrekt (met de woorden: ‘Je offervaardigheid maakt me bang’), en Sandrien blijft doorgaan, de gewantrouwde blanke die een onvergetelijke strijd voert die niet te winnen valt.

Niet alle verhalen in Het vogelalfabet halen dat hoge niveau, maar ze liggen wel in het verlengde van Het busje. Er heerst opvallend veel ziekte in de bundel, af en toe bij de ontwortelde personages zelf, dan weer bij hun naasten. Zeldzame momenten van troost vinden ze niet zozeer tijdens ontmoetingen met die naasten – eigenlijk lopen de ontmoetingen altijd uit op teleurstelling – maar juist in verstilde afzondering, bijvoorbeeld bij het beluisteren van muziek, het zien van een dans, het lezen van literatuur.

En steeds weer is er Zuid-Afrika, het onvermijdelijke achtergronddecor. De meeste personages hebben het land inmiddels ingeruild voor Londen, Berlijn, Dubai of Amerika, waar ze zich met eenzelfde overgave als Sandrien storten op hun net verkregen werk, hun families, hun nieuwe omgeving. Maar tevergeefs: ondanks alle pogingen tot verbetering blijkt Zuid-Afrika een anker waar niet los van te komen is, zoals bijvoorbeeld duidelijk wordt in Moeders kwartet, nog zo’n sterk verhaal. Een muzikante reist de wereld rond om contact te leggen met haar broers en zussen. Onvermijdelijk roept dat allerlei herinneringen aan oude conflicten op, aan hun overleden moeder, maar opnieuw laat Naudé zich niet verleiden tot emotionele uitweidingen. Geen felle ruzies, geen grote verwijten – en toch is het een verhaal waar niets aan ontbreekt, waarin de spanning almaar duidelijker voelbaar wordt, waarin de compacte stijl de emoties alleen maar versterkt, en waarin alle personages uiteindelijk eenzaam rond blijven dolen, wat ze ook tegen elkaar zeggen, wat ze ook proberen.


Beeld: S.J. Naudé schrij als een leerling van Hemingway (Lisa Hnatowicz)