Geen zuurstof, geen sympathie

In het meest recente nummer van het blad Aardschok stond een uitvoerig interview met enkele leden van de enige nieuwe metalband van het afgelopen decennium die groot genoeg is om festivals te headlinen: Slipknot.

Medium muziek

Het was een tamelijk ontluisterend interview, om de reden dat er na lezing eigenlijk slechts één conclusie mogelijk was: wat een onsympathieke band. En dan ook echt in ieder denkbaar opzicht: zowel de manier van opnemen van hun nieuwe album (niet samen in de studio, maar na het eindeloos op en neer sturen van bestanden via aparte studiosessies voor de individuele muzikanten), als de onderlinge verhoudingen: zanger Corey Taylor sliep in een ander hotel dan zijn collega-bandleden.

Het fascinerende aan Slipknot is dat de aantrekkingskracht van de band voor hun massale, vaak opvallend jonge aanhang schuilt in dat volstrekte gebrek aan sympathie. Slipknot vertegenwoordigt een naargeestig universum, in zowel tekst (negatief, zwartgallig) en muziek (snoeihard) als uiterlijk: de bandleden dragen maskers. Clownesk weliswaar, maar dan wel van het type clown waar Stephen King zijn It op baseerde.

Toen een van de belangrijkste bandleden, bassist Paul Gray, overleed en de drummer uit de band stapte, leek het met Slipknot afgelopen, te meer daar zanger Corey Taylor met zijn andere band Stone Sour eveneens veel succes heeft. Maar nu is er dan toch een nieuw album, dat in Nederland eerder uitkomt dan in de Verenigde Staten: .5: The Gray Chapter.

Het is verleidelijk de inktzwarte toon van het album toe te schrijven aan het recente verlies van een bandlid, maar Slipknot klonk ook al negatief toen alle bandleden nog volop in leven waren. In de beginjaren werd de band geproduceerd door Rick Rubin. Dat zal nooit meer gebeuren, zei Taylor stellig in een interview waarin hij Rubin ‘overgewaardeerd en overbetaald’ noemde, en smaalde dat de legendarische producer per week drie kwartier langskwam om liggend op een bank te komen luisteren naar de verrichtingen van de band.

Waar of niet, feit is dat een band als Slipknot het voor een groot deel moet hebben van de sound, en die was onder Rubin indrukwekkender dan nu. De zwaar op percussie leunende muziek van Slipknot – lomp, maar altijd nét op tijd door een groove gered van monotonie – moet het hebben van een balans die Rubin nog beter beheerste dan Greg Fidelman, die de band soms wat schel laat klinken. Taylor is een uitstekende zanger, die uit de voeten kan met zowel zware brullen als melodieuze zanglijnen. Maar zelfs in de meest toegankelijke nummers als The Devil in I klinkt Slipknot gemener dan al die andere metalbands die melodie en agressie, zang en brul, mid- en uptempo afwisselen. Die andere bands hebben in het geval van bijvoorbeeld Killswitch Engage betere nummers, maar wat de aantrekkingskracht van Slipknot blijft, is het venijn: ook in zo’n nummer dat klinkt als een single zijn de drumpartijen meedogenloos. Het drumwerk in het titelnummer is zo onverbiddelijk hard en snel dat de band uitkomt in een universum ergens tussen de Braziliaanse metalband Sepultura en het vooral Nederlandse subgenre gabber.

Dat het album de luisteraar, deze althans, uiteindelijk vooral vermoeid achterlaat, hunkerend naar wat licht, lucht en leven, zal de bedoeling zijn: Slipknot is de wereldwijze uitlaatklep van jonge, boze, blanke mannen, gehuld in zwart shirt met macabere clowns voorop en teksten als ‘People = Shit’ achterop. Daar een nuance op loslaten, muzikaal of tekstueel, zou het onmiddellijk onschadelijk maken. Waar zuurstof, daar geen Slipknot.


Slipknot, .5: The Gray Chapter. Slipknot speelt 1 februari in de Heineken Music Hall Amsterdam


Beeld: Slipknot (Warner Music)