Het referendum als ressentiment

GeenPeil tegen de wereld

Achter het Oekraïne-referendum, opgezet door zelfbenoemde helden van het volk, gaat een fundamentele strijd schuil over de aard van de Nederlandse democratie. Het referendum was vooral een daad van anti-parlementarisme.

Medium hh 54921349

En zie, de democratie werd gered. De opkomstdrempel van dertig procent werd met een formidabele twee-en-een-beetje procentpunt overschreden – een ruime tien procentpunten onder de opkomst bij de laatste waterschapsverkiezingen. Pak aan, elite!

Het echte hoofdbreken begint nu pas. Hoe verder? Het is niet eenvoudig om de raad te volgen uit een raadgevend referendum dat zo nadrukkelijk niet over Oekraïne ging dat de initiatiefnemers niet eens de vrome schijn meer konden opbrengen te doen alsof dat wél het geval was. En hoewel het voor de hand ligt om te kijken naar de Europese Unie speelt er vermoedelijk een andere kwestie die nog fundamenteler is. Die twist draait om de aard en het karakter van de Nederlandse democratie.

Begon de campagne die handtekeningen verzamelde voor het referendum niet met de slagzin ‘Red de democratie’? Achter die leus gaat een bijna peilloze diepte schuil van impliciete en expliciete aannames over wat een democratie is en zou moeten zijn, en waarom de Nederlandse niet meer zou functioneren. Het doet niet ter zake dat die aannames niet in doorwrochte academische analyses werden geformuleerd, of dat het stijlmiddel van de campagne shock and awe was. Ook achter lompheid schuilt vaak een wereldbeeld. Dat wereldbeeld lijkt in ieder geval voor een belangrijk deel te rusten op een aantal opvattingen die een frontale aanval op de legitimiteit van de parlementaire democratie inhouden.

Het raadgevende referendum is, zelfs voor wie ermee sympathiseert, het slechtste van twee werelden. Voor de kiezers, omdat de uitslag niet zonder meer wordt overgenomen; voor het parlement omdat het de grondwettelijke onafhankelijkheid – ‘zonder last’ – in de verdrukking brengt. Beide democratische instrumenten, het parlement én het referendum, worden zo beroofd van wat ze aantrekkelijk maakt: het referendum van zijn directe duidelijkheid over de uitslag, het parlement van zijn onafhankelijkheid.

In de context van het Oekraïne-referendum komt daar nog bij dat de initiatiefnemers vanaf de eerste dag niet hebben geloofd in hun eigen kans op succes. Iedere nuance die de Kamerleden aanbrengen bij het wegen van de uitslag zal voor hen het bewijs zijn dat de democratie inderdaad niet werkt. Wat dat betreft was het referendum uitsluitend het bewijs van de teleurstelling die ze toch al verwachtten.

De wijze waarop de initiatiefnemers van het referendum zichzelf en hun strijd zagen spreekt wat dat betreft boekdelen. Vanaf de eerste dag domineerde een aan milde gekte grenzend wantrouwen. Het toppunt daarvan was de poging van GeenPeil om verkiezingswaarnemers van de ovse naar Nederland te halen, uit de stellige overtuiging dat er smerig spel gespeeld werd door de Nederlandse overheid. Minister Ronald Plasterk steunde dat voorstel prompt (niets te vrezen), maar de ovse zelf besloot dat ze haar bescheiden financiële kracht beter kon inzetten voor het waarnemen van verkiezingen in landen waar bedrog en verkiezingsfraude daadwerkelijk aan de orde van de dag zijn. Het verminderen van het aantal stemhokjes, of de beroerd ontworpen stembiljetten zijn, hoe onbenullig ook, nog geen bewijs van kwade opzet.

Geen waarnemers dus. Het veranderde niets aan de gedachte bij GeenPeil dat men mikpunt was van een geweldig offensief. Daags na de uitslag schreef Bart Nijman, de architect van GeenPeil: ‘Bijna zonder uitzondering trokken macht, media establishment ten strijde tegen het GeenPeil burgerinitiatief.’ Als GeenPeil de wind van voren kreeg, dan was het een opzettelijke, door de kongsi van de overheid en de ‘mainstream’ media georkestreerde obstructie; had het de wind mee, dan was het de onstuitbare golf van democratie tegen de vermolmde bastions van een corrupte elite. Dat is de geloofsleer die de kern is van het Oekraïne-referendum: volk tegen elite, David tegen Goliath, GeenPeil tegen de wereld. In hun eigen woorden: ‘Een strijd tussen idealisten en realisten, tussen burgers en bestuur, en tussen macht minnende mainstream media en het gezonde Hollandse boerenverstand.’

Het zou een vergissing zijn om in die zelf-heroïsering weinig meer te zien dan de oprispingen van een troep relschoppers. Achter alle gebakken lucht gaat wel degelijk een fundamentele strijd schuil over de aard van de Nederlandse democratie, waarbij de bedenkers van het referendum, Burgerforum-EU, een belangrijke rol spelen. De gelegenheidscoalitie van Burgerforum-EU, een bonte verzameling hoogleraren, journalisten en activisten onder leiding van Thierry Baudet, probeerde twee jaar terug een referendum af te dwingen bij nieuwe soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan de EU. Het initiatief verzamelde genoeg handtekeningen om besproken te worden in de Kamer, maar ving verder bot. Er kwam geen referendum.

In de Tweede Kamer verweet Baudet de aanwezige Kamerleden iets weg te geven aan de Europese Unie wat niet van hen was: de soevereiniteit. Die hoort immers, stelde Baudet, toe aan het Nederlandse volk, en de Kamerleden hadden die slechts in bruikleen. Het punt is alleen dat dit niet zo is. Het is een van de eigenaardigheden van de Nederlandse grondwet dat die de vraag over het fundament van de soevereiniteit in het midden laat. Er wordt domweg niets over gezegd. Als de parlementaire geschiedenis maatgevend is, dan ligt de soevereiniteit veel eerder bij het parlement dan bij de bevolking.

De wens om de bedaagde Nederlandse bestuurscultuur met rechtstreekse volkssoevereiniteit te verrijken keert echter vaak terug. Aan de praattafel bij Pauw verklaarde Thierry Baudet met de nodige pathos dat de democratische revolutie was begonnen, en dat hij meer referenda wilde, omdat de oude negentiende-eeuwse structuren niet meer voldoen. We hebben het internet, mensen zijn hoger opgeleid: tijd voor de directe democratie. Gezien het succes van de GeenPeil-coalitie, waarvan Baudet officieus de intellectuele voorman is, is er geen reden om te denken dat ze niet zullen slagen.

In de ogen van GeenPeil is het volk domweg een instrument in de te lang uitgestelde wraak op de elite

De openlijke uitdaging van de Nederlandse traditie van de parlementaire democratie is niet nieuw. De roep om meer directe democratie was voor d66 een instrument om, eind jaren zestig, de zuilen omver te werpen. Het idee van d66 was dat het parlementaire stelsel een revolutie nodig had voordat die zou uitbreken – de tijd vroeg om meer betrokkenheid van de burger. De strijd rondom het referendum nu is een vervormde echo van die wens.

Aan de pogingen van d66 om het (correctief) referendum in de Nederlandse grondwet en bestuurlijke praxis te verankeren ligt, nog altijd, het naïeve idealisme ten grondslag dat het volk, mits volledig voorgelicht over alle voor- en nadelen, nooit kan dwalen. Het geloof van GeenPeil in de rechtvaardigheid van de volkswil is groter dan dat van d66, maar ze combineren dat idealisme met een nadrukkelijk idee over wie de vijand is – waardoor het niet zozeer in het domein van naïviteit thuishoort, als wel bij het ressentiment. De elite is de vijand die tussen het volk en de verwezenlijking van zijn wil staat. Het doel is niet meer in de eerste plaats, zoals bij d66 ooit, om de burger wat meer zeggenschap te geven, als aanvulling op de macht van het parlement – in de ogen van GeenPeil is het volk domweg een instrument in de te lang uitgestelde wraak op de elite. Zelfs de oude opblaas-gedachte van d66, die het stelsel van binnenuit wilde ontregelen, is terug: het referendum, erkende men, ging immers niet over Oekraïne – het doel was om zand in de motor te strooien.

Hoewel referenda in strijd zijn met de parlementaire democratie betekent dat niet dat ze op zichzelf kwaadaardig zijn. Dat wordt wel het geval wanneer ze worden ingezet voor anti-parlementarisme. Het vertrekpunt van GeenPeil is het idee dat de échte democratie buiten het parlement ligt, en dat het referendum die echte democratie aan het woord kan laten.

Dat is niet erg opbeurend. Anti-parlementarisme is zo oud als de parlementaire democratie zelf, en steekt vaak de kop op wanneer die zich in een crisis bevindt: van de vroege marxisten uit de tweede helft van de negentiende eeuw tot de met het fascisme heulende intellectuelen die bijdroegen aan de doem van de Weimar Republiek. Ook de vrolijke revolutie van de jaren zestig van de twintigste eeuw bevatte, met haar minachting voor de parlementaire democratie, iets onaangenaams.

Elke historische vorm van anti-parlementarisme is anders, maar ze zijn vergelijkbaar in de gedachte dat de ware democratie zich buiten het parlement bevindt. De directe democratie, referenda inbegrepen, wordt zo een zuiverder instrument om de wensen van de bevolking mee uit te drukken dan het parlement. Anti-parlementarisme is links en rechts, kan mild zijn en radicaal, en de directe democratie kan een versterking of vervanger van de parlementaire democratie zijn.

Wie de langere teksten uit de koker van GeenPeil goed leest, ziet dat het laatste sentiment, dat van de vervanger, overheerst. De zuivere democratie wordt gehinderd door een elite, die het volk in de weg staat. Het verlangen van de GeenPeil-coalitie is een samenleving waarin de ongeremde wil van de meerderheid in alles altijd de doorslag geeft. En ze noemen het democratie.

De reden om afwijzend tegenover de parlementaire democratie te staan is dat het accepteren ervan niet kan zonder de erkenning dat het volk zélf verdeeld is. Het parlement is altijd zowel symbool van de historische vereniging van een bevolking als de belichaming van de onenigheid erin. Dat is tegen het zere been van iedereen die op z’n minst een beetje gelooft in de illusie van een volk dat één en ondeelbaar is, dat kwaad wordt van complexiteit, of dat niet kan omgaan met onvolmaaktheid.

Als de politieke partijen in de Tweede Kamer in meerderheid van mening zijn dat het beschermen van de parlementaire democratie de moeite waard is, dan moeten zij allereerst zelf verantwoordelijkheid nemen. Want hoewel er in de uit ketelmuziek en valse retoriek opgetrokken belevingswereld van de GeenPeil-coalitie en hun medestanders weinig realiteitszin te vinden is, is de klacht dat de volksvertegenwoordiging de Nederlandse bevolking niet erg goed lijkt te vertegenwoordigen gegrond – al jaren.

Het in stand houden van een parlementaire democratie vereist op z’n minst dat het parlement zich bewust toont van zijn taak om politiek te bedrijven. Om, met andere woorden, de politieke strijd te zoeken vóór er over het compromis wordt nagedacht. Hoewel de neiging zal zijn om de rijen gesloten te houden, met de verwachte vloedgolf van referenda aan de horizon, is het de taak van politieke partijen om de politieke strijd die nu buiten het parlement gevoerd wordt naar binnen te brengen, en de parlementaire arena te herstellen als plaats waar die strijd plaatsvindt. Wijzen op de toetreding van de pvv tot het parlement is niet voldoende, omdat die partij zich niet met het instituut identificeert. Het maakt zichzelf altijd expliciet tot buitenstaander – van ‘nep-parlement’ tot getier tegen de Haagse elite.

Het betekent, kortom, dat men zich bewust moet worden van de belangrijke taak die gereserveerd is voor politieke partijen in een parlementaire democratie, dat men zich bewust moet worden van de heilzaamheid van ideële verschillen, van debat en van democratische polarisatie. Dat begint met een eigen analyse, een wereldbeeld – en juist daar lijkt het te veel belangrijke politici aan te ontbreken.


Beeld: Amsterdam, 6 april, de uitslagavond van het Oekraïne-referendum. Jan Roos (Tomas / Cartoon Movement)