Geeraerts gaat voor goud

Jef Geeraerts is een auteur van wie ik vrijwel alles heb gelezen, ondanks het feit dat ik niet erg van zijn proza houd. Zijn thrillers zijn mij te technisch en zijn romans te bloederig. Niettemin, een goed schrijver, zo'n beetje de Belgische achterneef van Henry Miller en Ernest Hemingway en bovendien een aardige kerel, wiens fascinatie voor geweld niet per definitie negatief hoeft te zijn. ‘Je moet nu eenmaal een beest zijn geweest om een engel te worden’, zoals hij ooit zei.

Bovendien is hij een vitalistisch liefhebber van zogenaamde appelkontjes. Het aldus omschreven vrouwelijke achterwerk duikt in zijn nieuwe roman Goud twee maal op. Het betreft dit keer het achterwerk van zijn Eleonore, die over zowel een ‘gespierde appelkont’ als een 'keltische appelkont’ blijkt te beschikken. Ik weet niet precies wat ik mij daarbij moet voorstellen. Niettemin maakt mijn fantasie overuren. In een, tot op heden helaas ongeschreven, standaardwerk over de dameskont in de contemporaine Westeuropese literatuur zou Jef Geeraerts een interessante rol spelen, net als te onzent zijn navenant erotisch aangebrande collega Jan Cremer, die hem eveneens niet bij het piesen heeft versleten.
Het boek van Jef Geeraerts valt in twee delen uiteen. Het eerste speelt in de voormalige Belgische Kongo, waar goud wordt gevonden, hetgeen tot moeilijkheden leidt. Het tweede speelt in Gent, en beschrijft het stervensproces van zowel de poes van de schrijver als de vader van de schrijver - 'en ik voel schaamte opstijgen over het feit dat ik blijkbaar meer verdriet heb over de dood van een poes dan over die van mijn vader…’ Dat is een mooie, hartbrekende constatering, een sleutel tot ons aller emotionele huishouding die vaak een hoogst verwarrende chaos pleegt te zijn.
Even dreigt een derde dode te vallen: voornoemde Eleonore, waarvan een rijkswachter mededeelt dat zij een auto-ongeluk heeft gehad. Ik citeer het bijbehorende romanfragment: 'hij is opvallend hoffelijk ikkomdirectnaarde bijloke zeg ik mevrouw ligt in de spoedopname antwoordt hij ik dank hem leg de hoorn neer bel een taxi en doe zelfs de moeite niet om andere kleren aan te trekken ik roep de poezen maar ze zijn waarschijnlijk buiten als een slaapwandelaar bereik ik de keuken.’ Want Geeraerts heeft in zijn roman helaas, God mag weten waarom, de leestekens afgeschaft, hetgeen de lezer (althans ik) zo vermoeide, dat hij (althans ik) precies acht keer in mijn leunstoel in slaap ben gevallen.
Met de grootste moeite sleepte ik mij in de richting van de laatste bladzijden. Gelukkig, Eleonore is weer opgeknapt. Lijkt mij, appelkont of geen appelkont, een aardige vrouw. Zij heeft het manuscript van Geeraerts Goud gelezen - 'en traditiegetrouw heeft ze een lijst met details genoteerd over herhalingen onduidelijkheden en voor haar vreemde adjectieven en nadat ik correcties heb aangebracht is het boek er stilistisch op verbeterd.’
Het spijt mij, het is allemaal vergeefse moeite. Punten, komma’s en hoofdletters zijn niet voor niets uitgevonden. De Belgen mogen recentelijk het Groot Dictee (zoals altijd) van de Nederlanders hebben gewonnen, de Belgische literatuur heeft het, dank zij die merkwaardige aanvlieging van een vooraanstaand Vlaams auteur als Jef Geeraerts, voorlopig weer even van de Nederlandse literatuur verloren.