Geert Hofstede, 2 oktober 1928 – 12 februari 2020

Geert Hofstede was gefascineerd door culturen in een geglobaliseerde wereld en creëerde de modellen om die te begrijpen. Daarmee kon hij meteen de kritiek in zijn eigen land verklaren – al raakte die hem wel.

In reactie op het coronavirus sloegen Nederlanders massaal wc-papier in en vormden rijen voor coffeeshops, terwijl Fransen eropuit trokken voor kaas en rode wijn. Nadat Italianen op balkons gingen zingen, besloten Spanjaarden te klappen. Of Geert Hofstede deze nationale eigenaardigheden zo specifiek had kunnen duiden valt te betwijfelen, maar de abstracties waarin hij landen goot domineren nog altijd sociologiecolleges. ‘Je kon met hem niet naar het buitenland reizen zonder dat hij alles om zich heen begon te duiden met termen als “machtafstand” of “onzekerheidsvermijding”’, zegt kleindochter en schrijver Bregje Hofstede. Het zijn termen uit zijn eigen analytische repertoire, dat beroemd werd. Hij prijkt op de vijftiende plaats van meest geciteerde sociale wetenschappers; Karl Popper staat een plek hoger, Immanuel Kant een plek lager. Freud voert de lijst aan.

Hij kon tot die hoogte klimmen vanwege de nieuwsgierige blik waarmee hij als medewerker van ibm in de jaren zestig de wereld rondreisde. ‘Ik kwam in 1945 van de middelbare school, net toen de wereld openging’, zei hij daarover in een interview. Hij leerde meerdere talen spreken en bezag globalisering als een proces waarin culturen mengden maar ook een bron van conflict konden zijn. Binnen het computerbedrijf begon hij als personeelsonderzoeker een zoektocht naar die verschillen aan de hand van enquêtes onder medewerkers in meer dan vijftig landen.

Het waren ogenschijnlijk simpele vragen, over wat mensen van hun baas verwachtten en hoe zij hun werk vonden. De antwoorden daarop vertoonden een opvallende samenhang onder mensen uit hetzelfde land, die elke andere groepsovereenkomst op basis van geslacht, functie of opleidingsniveau deed verbleken. Al is het een misverstand dat Hofstede’s theorie voorschrijft dat cultuur statisch is, integendeel, zij is een doorlopend groepsproces waarbij de nieuwe leden voortdurend worden ‘geprogrammeerd’ door een grote gemeenschap die ze omarmt. ‘Ik schets de mens als iemand die in de wereld verschijnt met een basaal besturingssysteem waar vervolgens anderen ideeën op programmeren.’

‘Een van mijn typische identiteiten is dat ik er geen heb’

Dat computerjargon was een erfenis van zijn ingenieursopleiding in Delft, die hem voor de rest van zijn leven tot een systeemdenker maakte. Die enquêtes bij ibm bijvoorbeeld lieten hem niet los. Hij wilde ze analyseren en daar een groot onderzoeksproject van maken, maar daar had het bedrijf geen oren naar, dus gaf Hofstede zijn baan en huis op, vertimmerde een busje en reisde met zijn vrouw en vier zoons door Europa naar Turkije, intussen werkend aan Culture’s Consequences, het boek dat hem beroemd maakte. Het belangrijkste idee uit dat boek is dat culturen zich onderscheiden op vier dimensies: machtafstand, individualisme ten opzichte van collectivisme, masculiniteit en de mate waarin ambiguïteit wordt gevreesd. Door landen te situeren op die assen, verklaarde Hofstede waarom de Nederlandse samenleving sterk lijkt op een dorpsmarkt (mensen zijn direct, overtoepen elkaar graag, maar bevinden zich op dezelfde hoogte), terwijl Frankrijk meer georganiseerd is als een piramide, Duitsland als een machine en landen als Rusland een sterke gelijkenis vertonen met families; met een pater familias als heerser. Na een onderzoek in China voegde hij een extra dimensie toe die het confuciaanse holisme toeliet in het model en zich richtte op termijndenken: kijken mensen de toekomst in met het idee dat deze constant aan verandering onderhevig is? Of zien zij zich als onderdeel van een eeuwenlange traditie en is het heden daardoor onwrikbaar?

De lauwe ontvangst van Hofstede in Nederland onderstreepte wellicht zijn analyse; juist in een individualistisch marktland ligt kritiek op de loer. Hier geen erehagen door studenten of fans die met hem op de foto wilden, zoals elders in de wereld, maar een discussie over wat hij nu precies was. Psycholoog? Socioloog? Econoom? Zelf noemde hij zich een ‘scharrelprofessor’, zijn bescheiden term voor de homo universalis; iemand die zich vrij door de wetenschap beweegt en meeneemt wat van pas komt. ‘Een van mijn typische identiteiten is dat ik er geen heb’, zei hij daar zelf over. Iets wat bij zijn meer specialistische collega’s op weerstand stuitte en Hofstede opzadelde met een gevoel van afwijzing.

Daar komt bij dat theorieën over cultuurverschillen in de jaren zeventig zo omstreden waren dat niemand er zijn vingers aan wilde branden. Kort na de oorlog, toen werd afgesproken dat mensen zouden verbroederen, was wijzen op onderlinge verschillen al snel verdacht of in ieder geval riskant. Zijn manuscript werd zestien keer geweigerd. In het buitenland maar ook in het bedrijfsleven werd hij echter omarmd; daar bleken zijn inzichten onontbeerlijk om een steeds nauwer verbonden wereld te doorgronden. The Wall Street Journal rekende hem in 2008 nog tot de twintig invloedrijkste businessdeskundigen ter wereld. The Economist noemde hem ‘de man die corporate culture letterlijk op de kaart zette’.

Hoe kosmopolitisch en avontuurlijk hij ook was, de trots van zijn leven was volgens kleindochter Bregje zijn toetreding tot de Orde van de Nederlandse Leeuw, de oudste orde. Bij binnenkomst in een Gronings universiteitszaaltje wist de 82-jarige wetenschapper nog van niets, maar toen het begon te dagen dat hij hier was voor de hoogste civiele onderscheiding van Nederland, bekeek hij zijn familieleden die stiekem waren afgereisd. ‘Je zag hem met zijn ogen de zaal afgaan. Controleren of iedereen er was’, zegt Bregje. ‘We waren er allemaal.’ In het bijzijn van diezelfde mensen overleed hij vorige maand op 91-jarige leeftijd. Gelukkig in de wetenschap dat zijn modellen er nog altijd toe doen.