Heel Nederland is ‘in’ Popper

Geestelijke ontsmetter

Te oordelen naar de talloze publicitaire verwijzingen is heel Nederland tegenwoordig «in Popper». Politici en activisten gebruiken zijn naam om hun eigen opvattingen een filosofisch tintje te geven. Het wachten is op de Popper-mokken.

«Ik ben van de filosofie van Karl Popper: verander dingen door kleine stapjes», zegt de Twentse onderwijskundige Roel Bosker in Trouw: «In het onderwijs verander je dingen alleen kleinschalig, leraar voor leraar.» En een issues manager van Shell, die zich op een persconferentie in Den Haag op hetzelfde moment teweer stelt tegen ingrijpende milieuvoorstellen, doet eveneens een beroep op Popper: «Dankzij Popper weten we dat grootscheepse interventies onvoorziene gevolgen hebben en de directe belangen van grote groepen mensen schaden. Je kunt beter stapje voor stapje iets aan milieuverbetering doen.»

Daarentegen vragen vijftien «jonge denkers», verenigd in de denktank Kabinet Online, om een grootscheepse politieke interventie teneinde Poppers concept van democratie te verwezenlijken. In hun Eerste Nota Virtuele Ordening pleiten ze voor de massale verbreiding van internet zodat iedereen in de zegeningen van de «virtuele publieke ruimte» kan delen. «We hebben er een naam aan verbonden», schrijven ze: «De open samenleving.» De naam Popper valt niet, maar The Open Society and Its Enemies (1945) wordt geclaimd met een gemak dat George Soros, ’s werelds bekendste popperiaan, zich niet zou durven veroorloven.

Het is zomaar een greep uit de talloze verwijzingen naar Popper die wekelijks de publicitaire revue passeren. Te oordelen naar hun frequentie is heel Nederland tegenwoordig «in Popper». Het wachten is bij wijze van spreken op de Popper-mokken en -T-shirts. Maar net als in het geval van Mondriaan hebben de dragers van zijn cultus opmerkelijk weinig affiniteit met zijn persoon en zijn ideeën. Politici en activisten gebruiken zijn naam als vignet en citeren kernbegrippen uit zijn werk om hun eigen opvattingen een filosofisch tintje of hun wangen een democratisch kleurtje te geven.

De visie van Kabinet Online op de mogelijkheden van internet houdt bijvoorbeeld geen rekening met factoren als economische macht en selectieve toegankelijkheid. Niet iedereen heeft de beschikking over (de beste) hard- en software, niet iedereen heeft het vermogen en de tijd om informatie te verzamelen of te presenteren, andermans bronnen te controleren of zich in debatten te mengen. De daaruit voortvloeiende exclusiviteit van internet zou Popper een gruwel zijn, schrijft wetenschapsfilosofe Noortje Marres in het tijdschrift Wijsgerig Perspectief.

De Oostenrijks-Britse filosoof had nu juist een afkeer van zulke utopieën waarin tegen gestelde belangen en visies zogenaamd worden verzoend. De pleitbezorgers van de on line open samenleving dragen de democratie ongetwijfeld een warm hart toe, maar ze doen Popper geen recht als ze het dilemma van de exclusiviteit wegmoffelen: «Aan concepten van rechtvaardigheid en gelijkheid die de problemen van het heden ondergeschikt maken aan een ‹ideale toekomst› had hij een gruwelijke hekel. Dat soort ideeën heeft een drogerend, verblindend effect», aldus Marres.

Hetzelfde geldt voor de populaire versie van piece-meal engineering waarin louter sprake is van «kleine stapjes», alsof Popper bij voorbaat gekant was tegen elke vorm van grootscheeps overheidsingrijpen. De filosoof erkende dat sommige problemen zo acuut en bedreigend zijn dat de mensheid zich geen stapsgewijze experimenten kan veroorloven, maar uit alle macht moet optreden. In zijn laatste interview, in 1992 gegeven aan het weekblad Der Spiegel, sprak hij zich nota bene uit voor een nieuwe oorlog tegen Saddam Hoessein zolang die aan massavernietigingswapens werkt: «En niet alleen tegen Saddam. De beschaafde wereld moet eigenlijk troepen hebben klaarstaan die in zulke gevallen kunnen worden ingezet. Pacifistisch optreden zou achterhaald en onzinnig zijn. We moeten oorlog voeren ten bate van de vrede.»

Als we erkennen dat bepaalde milieuproblemen de mensheid bedreigen, kan dat een reden zijn om ook op dat gebied grootscheeps en onvoorwaardelijk in te grijpen. Des te merkwaardiger is het dat de onderwijskundige Bosker het begrip «piece-meal engineering» zelfs in verband brengt met kleinschaligheid, een streven waarvoor Popper geen bijzondere sympathie had en dat hij zeker nooit als voorwaarde voor succesvol overheidsingrijpen heeft genoemd. Poppers idee was veel complexer: hij meende dat maatschappelijke veranderingen bij voorkeur met kleine stapjes moeten worden ingevoerd zodat elke stap kan worden getoetst aan de doelstellingen. Tegelijkertijd moeten de uitgangspunten van het beleid worden getoetst (en eventueel aangepast) aan de resultaten. In Poppers visie is elke stap dus een test voor de politieke en ideologische vooronderstellingen die eraan ten grondslag liggen. Dat mechanisme was in het onderwijsbeleid van de afgelopen dertig jaar inderdaad ver te zoeken, maar dat wil niet zeggen dat ingrijpende onderwijshervormingen of grotere schoolklassen per se in strijd zijn met piece-meal engineering.

Dat Popper in ons land is gedegradeerd tot pasmunt in de politieke conversatie, is misschien een gevolg van de beperkte verbreiding van zijn werk. De «Popper-kerk», zoals zijn volgelingen door tegenstanders gering schattend worden aangeduid, heeft in Nederland nooit vaste voet aan de grond gekregen zoals in Groot-Brittannië, Duitsland en de Verenigde Staten. Zijn introductie op Nederlandse bodem viel bovendien in de jaren zestig, toen hij in academische kringen als «rechts» werd beschouwd en al te gemakkelijk werd afgeserveerd met een beroep op Karl Marx of Theodor Adorno. Het feit dat Popper ooit de economie de enige geslaagde sociale wetenschap noemde, althans de enige waarvan de toestand «niet onbevredigend» was, zal zijn populariteit in die kringen niet hebben vergroot .

Afgelopen zomer waren er op het lustrumcongres van het Karl Popper Institut in Wenen veel Duitsers, Oostenrijkers, Amerikanen, Japanners en Oost-Europeanen, maar weinig Fransen en slechts een enkele Nederlander. «En de Nederlanders die er waren, houden zich vooral bezig met wetenschapsfilosofie», zegt Gerard Blees, promovendus in Groningen en een van de weinige Nederlanders die wetenschappelijk onderzoek doen naar Poppers politieke ideeën. «Dat geeft al aan dat in Nederland heel weinig mensen actief bezig zijn met zijn politieke filosofie. In Duitsland heb je veel meer kritisch-rationalisten, zowel exacte wetenschappers die erkennen dat je altijd vanuit voorlopige inzichten werkt als politieke filosofen die Poppers opvatting van democratie onderschrijven.»

«Veel van zijn ideeën zijn nog steeds van toepassing op de wetenschapsbeoefening», zegt Theo Kuipers, van huis uit natuurkundige en momenteel hoogleraar wetenschapsfilosofie in Groningen. Hij noemt zich «popperiaan», maar met een veelzeggende kwalificatie: «Helaas wordt Popper vaak gemakzuchtig of ronduit verkeerd geïnterpreteerd. Men denkt bijvoorbeeld dat falsificatie voor Popper hetzelfde betekent als eliminatie, dat wil zeggen dat een theorie als geheel moet worden afgewezen als hij op een onderdeel niet blijkt te kloppen. Maar dat propageerde Popper niet, hij vond dat je die theorie in zo’n geval moest aanscherpen zodat hij rekening hield met de nieuwe bevindingen. Als je zijn theorie goed interpreteert, zonder luchtfietserij, is het een heel solide bouwwerk, ook op politiek en maatschappelijk terrein. Omdat Popper geloofde in de methodologische eenheid van alle wetenschappen, is het jammer dat maar zo weinig mensen zich verdiepen in zijn politieke opvattingen.»

In Nederland zijn het met name politici die Popper postuum, en vaak met weinig subtiele middelen, in hun eigen kamp proberen te trekken. Sociaal-democraten als Den Uyl hebben hem sinds de jaren zestig geclaimd vanwege de schijnbare verwantschap van piece-meal engineering met hun eigen, niet-revolutionaire versie van socialisme. Ruud Lubbers en Frits Bolkestein hebben het op hun beurt gedaan voor respectievelijk de christen-democratie en het liberalisme. Hun opeenvolgende Popper-lezingen in 1997 en 1998 gaven fraaie staaltjes te zien van de filosofische claimcultuur die Popper in ons land noodlottig is geworden.

Lubbers stelt om te beginnen vast dat Popper-de-twijfelaar een weldadig einde heeft gemaakt aan de al te hoge verwachtingen van de Verlichting: «Popper heeft een hekel aan zekerheid. Popper zaagt aan de poten van het determinisme, hij is een denker die zich verzet tegen de arrogantie van het zeker weten.» Terwijl de filosoof zich op wetenschappelijke gronden juist verzette tegen allerlei vormen van obscurantisme, inclusief dat van de heilige moederkerk waaruit Lubbers voortkomt, schildert Lubbers hem dus af als de eerste moderne denker die durfde te twijfelen aan de zekerheid van wetenschappelijke kennis en daarmee de zekerheid van alle menselijke kennis.

Nadat hij Popper heeft gebruikt om de Verlichting onschadelijk te maken, kan Lubbers moeiteloos de overstap maken naar Poppers theorie van de «drie werelden» die als bij toverslag al zijn eigen geloofsopvattingen blijkt te ondersteunen. «Het was alsof ik Teilhard de Chardin weer op mijn leestafel had liggen», aldus Lubbers. «Boeiend hoe de paleontoloog, theoloog, filosoof en bioloog, de jezuïet Teilhard de Chardin, kennelijk tot gelijksoortige inzichten kon komen als de humanist Popper.» Tot slot stelt hij zich de vraag wat Poppers «derde wereld», het rijk van de menselijke intelligentie en artefacten, eigenlijk voor een rijk is. En jawel, het is eigenlijk het rijk van de «gestolde waarden, mores en gebruiken» waaronder ook de godsdienst.

Een jaar later deed Bolkestein het kunstje dunnetjes over, ditmaal met een beroep op de oude, soms zeer conservatieve Popper die zich leek te hebben afgewend van de sociaal-democratische idealen uit zijn Weense jeugdjaren. De liberale leider had namelijk nog een appeltje te schillen met wijlen Joop den Uyl: «Middels al dan niet moedwillig verkeerde interpretatie van Poppers denkbeelden werd social engineering in de jaren zestig en zeventig omgevormd tot instrument van radicale politiek. Procent na procent zou de staat haar weldadige invloed over economie en maatschappij uitbreiden.» Ten slotte leidde dit «blauwdrukdenken» tot werkloosheid, inflatie, stagnatie van de economische groei en een oplopende staatsschuld, aldus Bolkestein.

Uiteraard beschikte hij zelf over betere papieren dan Den Uyl. Tenslotte was Popper een liberaal en een geestverwant met wie hij, Bolkestein, eigenlijk alleen «van mening verschilde over Plato». Op zijn beurt achtte hij social engineering «alleen verantwoord indien het met zeer bescheiden ambitie wordt gehanteerd, maar het is en blijft een gevaarlijk instrument». Als geslaagd voorbeeld noemde hij tot ieders verrassing het Zuiderzee-project, dat precies beantwoordde aan de doelstellingen van zijn ontwerpers omdat het Nederland «in zekere zin voor altijd één heeft gemaakt».

Het Zuiderzee-project was inderdaad geslaagd, in zoverre had Bolkestein gelijk. Maar was het ook geslaagd als voorbeeld van piece-meal engineering met alle vereisten zoals toetsing van de uitgangspunten bij elke stap? Op dat punt deed de spreker er wijselijk het zwijgen toe, hij was immers zelf niet vrij van smetten. Bart Tromp, destijds aanwezig bij Bolkesteins Popper-lezing: «Ik heb Frits na afloop aardig klemgezet. Ik vroeg hem of die grote Europese eenheidsmarkt, waaraan hij als eurocommissaris zo hard werkt, geen typisch voorbeeld is van de ‹grootscheepse maakbaarheidsoffensieven› waartegen Popper volgens hem waarschuwde. Hij bleef het antwoord schuldig.»

Terug naar de echte filosofen. René Gude, die als hoofdredacteur van Filosofie Magazine Bolkesteins lezing afdrukte en Lubbers ter gelegenheid van diens lezing interviewde, kreeg de indruk dat de Popper-kennis van beide mannen niet dieper ging dan een vingerkootje. Gude: «Bolkestein en Lubbers gebruikten hem om hun eigen gebrek aan richting gevende idealen te maskeren. Bijna alle politici gaan tegenwoordig met Popper aan de haal omdat ze zelf geen idealen en visies kunnen of durven verwoorden. Popper heeft een gezonde morele attitude verkondigd, namelijk scepsis tegenover andermans aanspraken en tegelijk de plicht om je zelf kritiseerbaar op te stellen. Dat is eigenlijk niet meer dan een elegante formulering van common sense.»

Die gezond-verstandkern is tegelijk de kracht en de zwakte van Poppers filosofie, meent Gude: «Het was een uitstekend uitgangspunt om de totalitaire waanideeën uit de vorige eeuw onschadelijk te maken, maar daarom is het nog geen filosofisch systeem. Daarna moet het echte denken pas beginnen, maar juist daar hield Popper op. In die zin was hij een irrationalist, wat het beginpunt zou moeten zijn is bij hem het eindpunt. Popper is een geestelijk ontsmettingsmiddel geworden, een soort politieke Dettol om alle richtinggevende idealen in de politiek te neutraliseren. Hij staat voor een soort eeuwige, belangeloze scepsis die we op het ogenblik volgens mij spuug- en spuugzat zijn.»

Blees wil niet voor Poppers Nederlandse navolgers instaan, maar vindt wel dat Gude de filosoof onrecht doet. Blees: «Popper zelf had wel degelijk een richtinggevend ideaal. Het beperken van menselijk leed stond bij hem voorop. Leedreductie is Poppers vertrekpunt, van daaruit ontwikkelde hij zijn kritiek op radicalisme en utopische plannen.» Herlezing van De armoede van het historicisme geeft hem gelijk. Zoals deze passage: «Als we de wereld niet opnieuw in het ongeluk willen storten, moeten we onze dromen over het gelukkig maken van de wereld opgeven. We moeten desondanks wereldverbeteraars blijven — maar bescheiden wereldverbeteraars. We moeten ons tevreden stellen met de nooit eindigende taak het lijden te verminderen, vermijdbaar kwaad te bestrijden, misstanden op te ruimen; en daarbij steeds een open oog hebben voor de ongewilde gevolgen van ons ingrijpen waardoor de balans van onze verbeteringen maar al te vaak doorslaat naar de negatieve kant.»

Blees: «Later heeft hij zelfs lijsten aangelegd van het leed dat het eerst uit de wereld moet worden geholpen. In zijn bundel Conjectures and Refutations noemde hij achtereenvolgens armoede, werkloosheid en andere vormen van sociale onzekerheid, ziekte en pijn, wreedheid in het strafrecht, slavernij en andere vormen van afhankelijkheid, godsdienstige discriminatie en rassendiscriminatie, gebrek aan onderwijsmogelijkheden, strenge klasse-onderscheidingen en oorlog. Het is nogal een lijst en het is natuurlijk te mooi om waar te zijn als je daar een politiek programma uit kunt afleiden. Dat is inderdaad wel een beetje het probleem met Poppers politieke ideeën: je kunt er, zoals linkse mensen vroeger vaak van het christendom en de bijbel zeiden, eigenlijk alle kanten mee op.»