Geestige bezorgdheid

Verhalen moeten worden verteld, niet naverteld. Ziehier een van de dilemma’s van de bespreker van verhalen.

Medium ap verbeke annelies c alex salinas isbn
Annelies Verbeke bereikt in dit indrukwekkende verhalenboek regelmatig een ultieme vorm van humor © Alex Salinas / De Geus

Moet je eerst schrijven waar de verhalen over gaan en er vervolgens allerlei beweringen over doen? Dat ze ‘pakkend’ zijn of ‘overtuigend’ of ‘geestig’? Probleem is uiteraard dat zo’n navertelling altijd geformuleerd is in de woorden van de naverteller. In mijn woorden dus, en niet in die van de schrijver. Maar de schrijver zit niet op een beoordeling van de woorden van de bespreker te wachten.

Neem het eerste verhaal uit de fraaie bundel Halleluja van Annelies Verbeke. Ik kan nu wel schrijven dat het over een huilbaby gaat die enigszins misprijzend de reacties van zijn ouders op zijn huilpartijen beschrijft en daarbij niet vergeet te melden hoe heerlijk het is om ouders voor je te zien draven en redderen. Ik weet zeker dat Verbeke bij zo’n samenvatting direct zal tegensputteren. Ho, wacht even, je zegt nu wel ‘misprijzend’ en je beweert dat die baby het ‘heerlijk’ vindt om zijn ouders te zien draven, maar dat zijn wel jouw woorden. ‘Misprijzend’ staat niet in het verhaal en ‘heerlijk’ ook niet. Gelijk heeft ze. Maar wat dan? Niet navertellen? Misschien zit er niets anders op dan het toch zo veel mogelijk te gaan zoeken in de woorden van de schrijver zelf. Citeren dus. Gewoon het hele verhaal overschrijven en er dan nog iets over zeggen. Dan kom je bijvoorbeeld in dat huilbaby-verhaal deze zin tegen: ‘Borsten zijn fantastisch, mijn mening daarover zal nooit veranderen.’ Zomaar zo’n zin schrijven, dat moet iets heerlijks zijn geweest.

Verbeke strooit in deze bundel, niet alleen in het baby-verhaal, met vondsten, rare beweringen, binnenpretjes, en zinnen die knetteren van de schrijflust: ‘“Waar komt dat verdriet toch vandaan?” vraagt hij voor hij mijn teentjes kust.’ ‘Zijn haar staat overeind, zijn pik ook.’ Wie zelf een huilbaby heeft of heeft gehad weet precies wat hier aan de hand is: kinderliefde vermengd met verbijstering en in de handen van Verbeke wordt het nog geestig ook. De baby huilt overigens omdat hij precies voor zich ziet wat er allemaal verder gaat gebeuren met zijn ouders en met zichzelf. Hij kan in de toekomst kijken. Wat een mooi idee! ‘En dan overvalt het me weer, het snikken, verheft zich opnieuw een golf vooruitzichten vol verlies. Melktanden, grootouders, huisdieren, vrienden, massa’s sjaals, mutsen, liefjes, mijn haren, mijn vertrouwen, die twee.’ De zelfmedelijdende huilbaby. Moet ik gaan uitleggen wat aan zo’n opsomming geestig, mooi en ontroerend is (die ‘massa’s sjaals’!)? Maar dan doe ik het weer in mijn woorden, laat de schrijfster het zelf maar zeggen.

‘De wieltjes van de koffers jammeren als radeloze muizen wanneer ze de Clemenceaulaan op wandelen’

Verbeke’s verhalen werken vaker met voorvallen of verschijnselen uit het dagelijks leven, die ze in alle consequenties doordenkt waarbij ze allerlei zijpaden inslaat en de gekte niet te erg de overhand laat krijgen. Ze gaat net even aan de rand van de werkelijkheid staan en laat haar verteller vaak met enige vertwijfelde bezorgdheid toekijken. Komt het wel goed met deze figuren? Nee, vaak niet. En daaroverheen haar steeds opgewekt ogende maar in de grond melancholieke gevoel voor humor dat zich uit in kleine, vaak verborgen geestigheden. De oude moeder die in het verzorgingstehuis een robot als hulpje krijgt. De directeur van het bedrijf die zeker weet dat de wereld morgen vergaat. De man die tegen zijn kinderen doet of de vrouw die hij oppikt geheel toevallig langs de kant van de weg staat. Het geklets in de ruimte van een stel vrienden en vriendinnen. De schrijfster die ineens een beer is. De vrouw in de sportschool die een Turkse body-builder oppikt.

Zulk soort startpunten dus en vervolgens iets schrijven dat zich volkomen logisch aan je voordoet en dat Verbeke weet te gieten in zinnen die vaak genoeg bij mij een lach of schaterlach opriepen. Bijvoorbeeld bij dat verhaal van de indrukwekkende bodybuilder Mehmet die helaas door het vele gebruik van spierversterkende middelen impotent is geworden. Dat woord gebruikt Verbeke natuurlijk niet, dat is voor de navertellers. Er is iets met zijn libido, waarbij zowel Mehmet als de vrouw discussieert over de juiste uitspraak van dat woord. ‘“Ik kan je wel likken of zo”, zucht hij.’ En iets verderop staat er ineens: ‘Van dichtbij kijkt hij naar de kolibries.’ Daar heb ik echt keihard om gelachen, waarom weet ik niet precies. Dus bereikte de schrijfster hier, en regelmatig ook elders in dit indrukwekkende verhalenboek, een ultieme vorm van humor.

Ze grossiert in fraaie zinnen en beelden. ‘De wieltjes van de koffers jammeren als radeloze muizen wanneer ze de Clemenceaulaan op wandelen.’ ‘De stopcontacten zijn kleine maskertjes, art brut, spookhoofdjes die haar in doodsangst aanstaren.’ ‘Zijn telefoon speelt Mozart.’ ‘De maan heeft haar kleur achtergelaten op de bladeren, hier en daar een roestvlek in de kruinen, bloedrode druppels lopen van takken en stammen naar beneden.’ ‘Zo tikte heel wat tijd weg. Ze werden dertigers van bijna veertig.’ ‘(…) nadat ze lang met haar hondsdolle geweten onder de douche had gestaan (…)’. ‘“Nee”, zegt Wanda. “Dat zal een andere negerin geweest zijn.”’ “Ja, wat een toeval”, herhaalt hij, man van hout met zaagsel in het hoofd.’

Iets zegt me dat ik door moet gaan met citeren, omdat deze verhalen juist bestaan uit dit soort geweldige zinnen, zinnetjes, voorstellingen en inkijkjes in de zin en onzin van het bestaan. Verbeke slaagde erin haar grote bezorgdheid en mededogen niet op de voorgrond te plaatsten, ze verbergt zich, ze wil er niet zijn. En juist daarom maken haar verhalen diepe indruk.


Annelies Verbeke - Halleluja. De Geus, 216 blz., € 19,99