Maurizio Pollini © Cosimo Filippini / DG

Alles is context. Ik hoor Maurizio Pollini op een nieuwe cd twee van de grootste Beethoven-sonates uitvoeren, Op. 101 en de vetste van allemaal, de Hammerklaviersonate Op. 106. Pollini is een van de grote pianisten van de afgelopen honderd jaar. Maar hij is ook rond de tachtig en dat hoor je, al is zijn pianistische conditie indrukwekkend. Hij moffelt noten weg, trillers staan soms wankel op de tenen. Maar je hoort dat zo omdat je met de verkeerde vraag vroeger en nu zit te vergelijken; is het nog wat?

De goede vraag is wat Pollini dreef tot dit postscriptum bij een leven Beethoven, gedocumenteerd door een opname van alle 32 sonates. Juist dat. Alfred Brendel nam ze wel drie keer op. Men is nooit uitgedacht over het grote. In het bijzonder de late Beethovens zijn een Heilige Schrift van vrij-zwevende geestkracht, van een verbeeldingskracht die zich verloste van de schijnconflicten tussen anarchie en orde. Er is geen onverbiddelijk gevoel van richting meer in deze stukken of slechts tijdelijk, wanneer ontwikkelingsprocessen zich tot provisorische continuüms verdichten, om dat spoor ad libitum weer te verlaten. Dit is een niet-analyseerbare muziek van onbegrensd vallen en opstaan, van zwartgeblakerde slagvelden en maagdelijk naïeve stilte-eilanden, van maximale virtuositeit en innige verstilling. Alles kan, elke spontane vondst wordt valide, elk interval een potentiële schat en elke triller deurbel van de hemelpoort. Ontspoort het zoeken eens, dan moet het maar.

Maar Op. 101 klinkt bij Pollini mat. Terwijl de klank als retorisch element, door de verbluffend romantische tone of voice, juist daar zo zwaar weegt. Het eerste deel, dat de draad opneemt waar het lyrische tweede deel van de vorige sonate Op. 90 was blijven liggen, is schools en stijf, ritmisch verkalkt. Dit is niet de innigste Empfindung die Beethoven voorschrijft. Er zit geen Hölderlin en Schlegel in de klank, geen verhalende adem. Het tweede deel – ‘Lebhaft: Marschmässig’ – is kordater, maar in het korte adagio storen de onaangedaanheid en de gemaniëreerd trage triolen in het thema. Niet voor te stellen dat er ‘sehnsuchtsvoll’ boven de noten staat, expres in het Duits. O maestro, maak eens toon!

In het eerste deel van de Hammerklaviersonate revancheert Pollini zich. Hij speelt in het juiste, ademloze tempo, dat zich als een ijlbode de benen uit het lijf loopt, geen tijd te verliezen. Daarmee pakt hij de essentie van een monument dat op het slappe koord van een wegvliedende tijd in een toestand van unieke, pure energie geworden intellectuele concentratie alles nog één keer zo volledig mogelijk wil zeggen, immer tot sneuvelen bereid. Dat in een pathetisch adagio con gran’ espressione sjokkend uithijgt en dan broksgewijs hakopdetakkend de brug van de finale slaat, met de fugatechniek als dwangbuis voor de onbedwingbare, geëscaleerde krachten en die diabolisch ongezeglijke techniek. Daar hoor je wat gehoord moet worden; een onbevreesd gevecht met moed en kunnen dat het leven zin geeft, ook en misschien juist op je tachtigste.

Maurizio Pollini, Beethoven: The Late Sonatas (Deutsche Grammophon)