Gefilmd vanachter een schrift

Ruim een half jaar geleden kreeg ik van Jonas Mekas een exemplaar van zijn boek I Had Nowhere to Go. Ik heb geen haast gemaakt om het te gaan lezen. Een directe aanleiding ontbrak. Het verscheen al een paar jaar geleden en met zijn bijna vijfhonderd pagina’s leek het niet iets om even tussendoor te doen. Vorige week stond ik er wat in te bladeren en toen was het een paar dagen later toch ineens uit. Het is een prachtig en ontroerend boek. Het ongepolijste, bijna woeste dagboek van een door de Tweede Wereldoorlog op drift geraakte jonge Litouwse dichter.

Als de jonge Jonas met zijn broer Adolfas in de zomer van 1944 afreist richting Wenen, raken zij verstrikt in het ontwrichte Europa. Opgepakt door de Duitsers verdwijnen ze in een werkkamp bij Hamburg. De bevrijding maakt bepaald niet direct een einde aan hun kampleven. Het geografische pokerspel van de overwinnende grootmachten heeft uitgemaakt dat Litouwen niet meer bestaat en de jonge schrijvers kunnen niet naar huis. Ze krijgen de status van ‘displaced person’ (DP) en slijten de daarop volgende jaren in zogenaamde DP-kampen. Ruim de helft van het boek beschrijft het leven in deze kampen en het is feitelijk onthutsende lectuur. De verfijnde ironie van Mekas en zijn zeer minutieuze beschrijvingen van dagelijkse absurditeiten leggen een glans van humor over een situatie die in wezen triest is en soms nauwelijks voorstelbaar. Waarom moeten honderden Litouwers in smerige barakken in Duitsland honger lijden, jaren na de oorlog? Waarom zijn er eigenlijk nog kampen vijf jaar na het staken der vijandelijkheden?
De gebroeders Mekas gebruiken hun tijd overigens zo nuttig mogelijk. Ze publiceren hun poezie in hun eigen tijdschrift voor avantgardistische Litouwse literatuur en volgen colleges aan diverse Duitse universiteiten. Ze stillen hun honger met kennis en kunst.
De verbeten strijd van Mekas tegen de geestelijke leegte van het kampleven maakt zijn boek ontroerend en eigenlijk ook actueel. Er staan nog steeds barakken in Europa, waarin mensen buiten hun eigen land moeten leven van wat een minimale liefdadigheid hun schenkt. Chris Marker gaf recentelijk met zijn korte film Le vingt heures dans le camp een origineel portret van een kamp met Bosnische vluchtelingen in Slovenie. Zijn protagonisten maakten geen tijdschrift voor avant-gardepoezie maar een vindingrijk eigen televisiejournaal. Aan de hand van hun eigen beelden toonde Marker hoe belangrijk het gevecht tegen de gedwongen ledigheid kan zijn.
Vijf jaar nadat Mekas in Litouwen in de trein stapte, zet hij voet aan wal in New York. Daar zit niemand op hem te wachten, maar de cultuurhongerige boerenzoon raakt direct betoverd door de stad. De magere jaren zijn echter nog lang niet afgelopen. De belezen Litouwer is binnen de stroom werkzoekende immigranten een wat onhandige ongeschoolde arbeidskracht. Het zal nog tien jaar duren voordat hij in The Village Voice zal beginnen met het schrijven van een filmkroniek die een beslissende invloed zal hebben op de faam en ontwikkeling van de Amerikaanse avant-gardefilm. En zelfs in die tijd moet hij zich staande houden door part-time zijn fabriekswerk te blijven doen.
Hoewel Mekas meldt dat een van de eerste dingen die hij koopt van zijn zuur verdiende loontje een filmcamera is, bevat het boek verder weinig aanwijzingen dat hij later een sleutelrol in de geschiedenis van de film zal gaan spelen. Wel lijkt de hardnekkigheid waarmee hij zich onder de meest karige omstandigheden blijft bezighouden met het avontuur van de modernen in de literatuur en in de kunst, hem te hebben voorbereid op de radicaliteit van de Amerikaanse experimentele film. Op een heel andere manier lijken zijn latere dagboekfilms in zijn schrijven al latent aanwezig te zijn. Zo maakt hij er in sommige van zijn kampkronieken bijna een sport van om zijn medebewoners en hun dialogen zo letterlijk mogelijk weer te geven - alsof hij zijn barak filmt vanachter zijn schrift.