Voor eens en altijd en nooit meer: de vrouwelijke blik

Gefixeerd op het eigen tussenbeense

Al sinds de jaren tachtig is Marja Pruis gespitst op de strijd der seksen. ‘Iemand moet oog hebben voor het andere, het verdrukte.’ Totdat ze wordt uitgenodigd een debat te leiden over de vrouwelijke blik in de fotografie.

Wat eraan voorafging. Op de vrijmarkt in Rotterdam, Koninginnedag twee jaar geleden, stuitte fotoverzamelaar Arjan de Nooy op een blaadje, Haarscherp genaamd. Hij dacht eerst aan een vakblad voor kappers, maar het bleek om een feministisch fototijdschrift uit 1977 te gaan. Al bladerend door het tijdschrift groeide zijn opwinding. Met zijn kennersblik zag hij onmiddellijk dat er erg bijzondere foto’s in waren afgedrukt, hun eigen tijd ontstijgend. Hij raakte in gesprek met de verkoper, die werkzaam bleek bij een drukker te Schiedam alwaar een hele partij van het blad lag opgeslagen. Een paar dagen later haalde De Nooy die hele partij op, 748 stuks in totaal. De directeur van de drukkerij vertelde hem dat zijn vader toentertijd met de twee oprichtsters van het blad in zee was gegaan, maar dat het nooit was gekomen van verspreiding omdat de rekening niet werd betaald en de redactie voortijdig in ruzie uiteenging. Toen De Nooy wegreed uit Schiedam, de oplage van Haarscherp op de achterbank, wist hij wat hem te doen stond: het blad opnieuw uitgeven, en de fotografes uit die tijd opsporen.

Het bovenstaande valt allemaal te lezen in de achtergrondinformatie die de Vrije Academie te Den Haag levert bij de tentoonstelling Haarscherp: De vrouwelijke blik in de fotografie. De Nooy heeft zijn voornemen gestand gedaan. Het blad ligt er, en hóe. Op de cover een foto van ene Ankie Geeneen, voorstellende een vrouw wier gezicht wordt afgedekt door een stofzuigermond, al zou het bij nader inzien ook een lamp kunnen zijn. Lettertype, kleurstelling – beige en mosgroen – en spelwijze – feministies fototijdschrift – ademen helemaal het ernstige activisme van de late jaren zeventig, toen de rebelsere punk nog geboren moest worden.

En dan de inhoud. Het zou om te huilen van het lachen zijn, als het niet ook zo bekend was. De haarkloverij, de verbetenheid en de hoogdravendheid van niet eens zo heel lang geleden spatten van de pagina’s.

In de ‘introduktie’ legt de redactie haar beginselverklaring af: ‘Haarscherp is door vrouwen gemaakt en zal het werk van vrouwelijke fotografen tonen. Deze positieve diskriminatie is gerechtvaardigd vanwege de grote achterstand die vrouwen op dit moment hebben in de kunstwereld en, belangrijker nog, omdat wij ervan overtuigd zijn dat er werk wordt gemaakt door vrouwen dat authentieker en diepzinniger is, en histories gezien belangrijker zal blijken dan het werk dat in de bestaande mannenbladen en manneninstellingen wordt getoond.’ In het blad zelf een interview met een fotografe die clichébeelden becommentarieert door vrouwen rollen te laten spelen die gewoonlijk door mannen worden vertolkt (Waar selecteer jij je modellen op? ‘Ik wil niet dat ze zich door hun uiterlijk onderscheiden. Vaak maak ik ze enigszins onvoordelig op, zodat ze niet als aantrekkelijke vrouwen op de foto staan’), een persoonlijke afscheidsbrief van de fotografie (‘Ik ben schoorvoetend en met pijn in mijn hart tot de konklusie gekomen dat de kritiese blik niet vrijelijk geuit kan worden middels fotografie pur sang’) en vele fotoreeksen.

Zo zijn er zelfportretten van de al genoemde Ankie Geeneen, die zichzelf op uiteenlopende maar telkens verrassende manier ‘onthoofd’ afbeeldt, door bijvoorbeeld haar hoofd in een boomstam te stoppen of in een gordijn te wikkelen. De uitleg die ze hieraan geeft, is in ‘gedekonstrueerde’ vorm afgedrukt, namelijk bewerkt met witlak, waardoor het heel postmodern raden is naar waar het werkelijk om draait. Dan nog een ‘intiem dagboek’ van Anja van Buuren, met foto’s die ‘eigenlijk niet gemaakt zijn om aan derden getoond te worden’. Veel lesbische seks in woord en beeld (23 juni 1976: ‘Altijd is er de spanning tussen meedoen en fotograferen’), bossen schaamhaar, prangende billen en eindeloos gevinger.

Midden in het blad is een bewerking opgenomen van een doorwrocht oorspronkelijk Duits stuk ‘over de fotografiese blik der seksen’, waarin wordt verhaald van een grootscheeps onderzoek naar de kern van de kwestie. Bestaat er zoiets als een vrouwelijke en een mannelijke signatuur? Kun je met andere woorden zien aan een foto of die door een man of een vrouw is gemaakt? In het artikel wordt op die vraag een voorzichtig antwoord geformuleerd (‘De mannelijke foto’s zijn een bevestiging van het zelf, de vrouwelijke foto’s kunnen worden gezien als een uitdaging van het zelf’), dat wordt geïllustreerd met maar liefst zes pagina’s huiselijke kiekjes, op de linkerpagina’s de onmiskenbare vrouwenhand, rechts die van de man.

En als om de lezer/kijker het grote verschil nog eens flink in te peperen, is er ook een artikel over fotograaf/revolutionair Han de Beer, die veel succes heeft met zijn ‘eroties getinte vrouwenfoto’s’. Zelfs heeft, schandalig genoeg, aldus de anonieme auteur van deze ‘psychoanalytiese’ interpretatie van zijn werk, het Stedelijk Museum besloten een tentoonstelling aan hem te wijden. De foto’s die het stuk larderen, zijn even grof als lachwekkend. Een vrouw die met haar slipje onder haar billen gesjord ruggelings en wijdbeens een rotanstoeltje in de lucht houdt, het volle zicht biedend op alles wat zich tussen haar benen bevindt. Sowieso veel ongemakkelijke spreidstanden, met lullige (no pun intended) accessoires als een gitaar, een damspel of een pak speelkaarten. ‘Het lijkt een doel van Han te zijn om de vrouw ermee te laten instemmen dat zij in de eerste plaats als beschikbare bezienswaardigheid moet worden beschouwd’, schrijft de commentatrice.

Vooral die nijd en tegelijkertijd dat masochisme om dan wel die stoeipoezen in hun volle ornaat af te drukken, is zo schrikbarend bekend. Net als de passages uit het al genoemde intieme dagboek van Anja van Buuren, die klaagt over de medewerker in de fotozaak waar ze haar fotorolletjes brengt om ze te laten ontwikkelen. ‘Hij bekijkt me te lang. Ik stel me voor dat hij zich aftrekt bij mijn foto’s. Een golf van walging. Hij zegt dat het rolletje verloren is gegaan. De klootzak, ik weet dat-ie liegt. Ik heb zin om mijn foto’s terug te halen, om naar zijn wijf te gaan, haar alles te vertellen. Ik doe niets, ben alleen kwaad en mijn foto’s kwijt.’

Toen ik Haarscherp kreeg toegestuurd, met het verzoek om een debat te leiden dat de Vrije Academie/GEMAK organiseerde ter gelegenheid van vrouwendag, en ik het de eerste keer doorbladerde, heb ik óók veel en hardop gelachen. Het was een beetje een drietrapslach, geladen met schaamte, plezier en ontzetting. Weliswaar was het tijdvak waaruit dit schrijven stamde nog net van voor mijn tijd, maar toch herkende ik de toon, de logica, de achterdocht. Alle mannen willen maar één ding, dat werk. En die verstikkende mengeling van narcisme en verongelijktheid: waarom ziet niet de hele wereld dat alles eigenlijk over mij gaat, en dat ik beter ben dan wie dan ook? De leus ‘het persoonlijke is politiek’ bleek in de praktijk maar al te vaak een excuus om niet verder te kijken dan het eigen tussenbeense, het feminisme een aanleiding voor het ongegeneerd uitventen van rancune, middelmatigheid en frustratie. Alle hoogstnoodzakelijke ‘persoonlijke ontdekkingstochten’ legden voornamelijk een rijke voedingsbodem voor egoïsme en luiheid.

Maar dat is natuurlijk één kant van de zaak, haast ik me te schrijven, zelf een beetje geschrokken van mijn plotseling geformuleerde inzicht.

Misschien omdat het hoogtepunt van de tweede feministische golf, begin jaren tachtig, samenviel met het moment waarop ik het huis uitging en ging studeren, is persoonlijke ontwikkeling voor mij heel vanzelfsprekend het synoniem geworden van feminisme. Als ik tien jaar eerder was geboren, was ik waarschijnlijk communist geweest, ontvankelijk als ik was voor een beweging met een doel en enig vlagvertoon. Maar nu raakte ik dus doordesemd van het besef dat alles te herleiden valt tot de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, tot en met het hongervraagstuk aan toe.

Via De tweede sekse van Simone de Beauvoir ging ik moeiteloos naar En de een beweegt niet zonder de ander van Luce Irigaray en De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat van Friedrich Engels. Ik gooide – roze – verfbommen en kalkte PORNO IS VROUWENHAAT op de pui van de bioscoop die ’t in z’n ludieke kop haalde om Deep Throat op de zondagochtend te vertonen. Ik studeerde Nederlands, bestudeerde de ontvangst van De schaamte voorbij, dook in de werkgroep Achttiende Eeuw de vergeten zussen van Betje Wolff en Aagje Deken op, zei nooit zoveel, had een affiche van Annie Romein-Verschoor boven m’n bed hangen, en droeg korte rokjes en netpanty’s.

Zo veel jaar later ben ik nog steeds gespitst op de strijd der seksen – kijk het archief van deze krant er maar op na – en schrijf ik meer dan wie dan ook over vrouwelijke schrijvers en/of kwesties. Misschien nog steeds vanuit het automatisme: iemand moet het doen. Iemand moet oog hebben voor het andere, het verdrukte, het niet voor de hand liggende.

Tien jaar geleden schreef ik dit, ter introductie van een bespreking van Elaine Showalters Inventing Herself, een overzichtswerk van het feministische erfgoed middels de levensverhalen van een aantal vrouwelijke iconen: ‘Ik lees liever een interview met Nina Brink dan met Cor Boonstra. Koop de Playboy als Manuëla Kemp erin staat. Ben bereid me in de moleculaire biologie te verdiepen als een leuke vrouw erover schrijft. Waarom? Waarschijnlijk om dezelfde reden dat een man nooit een boek als Inventing Herself zal lezen, en dat een titel als Inventing Himself ondenkbaar is.’

Boven het stuk stond de door mijzelf aangedragen kop ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand’. Eigenlijk vatten ze alles samen, die kop en die introductie. Om nog maar te zwijgen van het boek in kwestie, waarin de achtereenvolgende Grote Vrouwen worden opgevoerd in een continue spiegeldans, elkaar bewonderend en beschimpend, met als uiteindelijke doel zichzelf beter te kunnen zien. Ze zetten zich tegen elkaar af (Simone de Beauvoir die schettert nooit een woord van die verschrikkelijke Margaret Mead te zullen lezen, Mary McCarthy die met afgrijzen De Beauvoirs smakeloze kleding beziet), of schrijven een zelfportret via de biografie van de ander (Emma Goldman over Mary Wollstonecraft, Hannah Arendt over Rahel Varnhagen). Naomi Wolf, schrijfster van de fulminade tegen de cosmetica-industrie, The Beauty Myth, en nu naar verluidt bezig met een groot werk over de vagina – echt waar, in juni wordt Vagina verwacht – werd vooral door feministes met wantrouwen bekeken. Zo jong, zo mooi, zo’n weelderige haardos, dat moest wel een heel abject staaltje van opportunisme zijn.

Door je met vrouwen te identificeren, ben je ook altijd met jezelf bezig. Het feminisme geeft of gaf een fijn ideologisch cachet aan narcisme. Langzaam maar zeker begon dat toch wat te knellen. Toen mijn uitgever vorig jaar mijn boek Kus me, straf me als ondertitel mee wilde geven ‘Over vrouwen en literatuur’, heb ik me daartegen verzet. Ik wilde mezelf niet meer veroordelen tot het vrouwenhoekje, terwijl mijn uitgever daar juist inmiddels het lezerspubliek vermoedde.

Wat er gebeurde. Ik ging dus naar Den Haag, 8 maart 2012, om een debat te leiden over de betekenis van een al dan niet vrouwelijke blik in de fotografie. Deelnemers: fotografes Sarah Carlier, Diana Blok, Carla van de Puttelaar, beeldend kunstenaar Lydia Schouten, conservator van het Fotomuseum Den Haag Wim van Sinderen, en de aanstichter van dit alles, Arjan de Nooy. Ik had iets eerder willen gaan om de tentoonstelling ook nog te kunnen bekijken, maar dat lukte niet helemaal. Nu liep ik in een straf drafje door de verschillende ruimtes, maar omdat ik het tijdschrift nog zo goed in m’n hoofd had zitten herkende ik de spirituele beelden van aurafotografe Vliegenthart meteen, net als de karakteristieke onthoofdingsportretten van Geeneen. Uit de kleine biografietjes die De Nooy van hen had gemaakt, was al gebleken dat geen van deze fotografes echt was doorgebroken. Eentje was er ook al overleden, ‘juist op het moment dat haar carrière in de lift zat’. Helemaal rechts achterin kon je in een soort donkere kamer het Duitse onderzoek nadoen, door van voorbijzoevende foto’s met een druk op de knop aan te geven of ze door een vrouw of een man waren gemaakt. Aan de ene muur van de ruimte die was ingericht voor het debat hingen de vingerfoto’s van Anja van Buuren; als ik straks het spoor bijster zou dreigen te raken, had ik in ieder geval het troostrijke zicht op een hand die ferm tussen een flinke bilpartij greep.

Ter voorbereiding had ik het een en ander gelezen over de vrouwelijke blik in de fotografie. De al dan niet vrouwelijke stem in de literatuur, daar wist ik alles van, maar of dat ook zomaar te vertalen was naar een ander medium? Ik stuitte op de naam Francesca Woodman, voor wie de fotografie geen instrument was om greep te krijgen op het eigen bestaan, maar die de camera gebruikte als voortdurende poging zichzelf uit te wissen. En op de Finse fotografe Elina Brotherus die de ontmoeting met de camera als een uiterst geladen moment beschouwt; in haar zelfportretten zoekt ze de visuele vertaling voor een kritisch zelfbewustzijn.

In de praktijk bevind ik me voor een volle zaal en in een uiterst monter gezelschap. Het gaat goed met de vrouwelijke fotograaf, dat wordt meteen al duidelijk. Haar werk domineert de galerieën en de musea. Iedereen lijkt het erover eens: misschien dat er vroeger nog een strijd te leveren was geweest, maar dan is die inmiddels met verve gevoerd. En of er zoiets bestaat als een vrouwelijke of een mannelijke blik in de fotografie? Aarzeling en genuanceerdheid alom. De sekse van de maker komt misschien tot uiting in onderwerpskeuze.

Diana Blok fotografeert moeders en dochters, maar ook Turkse homo’s. De focus van Sarah Carlier ligt op het lokale, alledaagse leven, mensen en hun zoektocht naar geluk, zekerheid. Lydia Schouten creëert met haar video-installaties mini-drama’s, waarin mensen zich bijvoorbeeld denken te kunnen terugtrekken in de natuur, maar dan buiten zichzelf hebben gerekend. Carla van de Puttelaar is vooral bekend vanwege haar intiem erotische fotografie, maar fronst haar wenkbrauwen als dat wordt gezien als iets ‘typisch vrouwelijks’. Er is geen probleem, met vrouwen en fotografie, nooit geweest ook, doceert Wim van Sinderen, en hij kan het weten want hij is de conservator van het Fotomuseum.

Of hij deze expositie ook in zijn museum zou willen hebben, vraag ik hem. Ik ben vergeten wat hij antwoordde, weet alleen nog dat hij wat lacherig reageerde.

Mijn blik dwaalt af naar de billen van de vriendin van Anja van Buuren aan de muur tegenover me, naarstig zoekend naar een hangijzer.

‘En jij dan’, vraag ik aan verzamelaar Arjan de Nooy die naast me zit en die ik niet zo goed in het gesprek weet te betrekken. ‘Jij hebt klaarblijkelijk oog voor het typisch vrouwelijke beeld, want jij pikt de foto’s er op markten zomaar tussen uit.’

‘Foto’s van vrouwen zijn vaak toch wat intenser, emotioneler ook’, zegt hij. ‘Minder afstandelijk.’

Waarover we dan weer even kunnen doorpraten, met mitsen en maren, en zus en zo.

Afijn. Het was best een aardig gesprek, maar helemaal de vinger krijgen op de kwestie, welke kwestie, lukte me niet echt. Nadat er ook nog wat vragen vanuit het publiek waren gesteld, sloot ik af, en boog Arjan de Nooy zich naar me toe:

‘Je wist toch wel dat dit allemaal niet echt is, hè?’

Ik kijk hem aan.

‘Dat tijdschrift, het bestaat niet echt. Dat heb ik allemaal gemaakt.’

Eventjes denk ik dat hij bedoelt dat hij de losse onderdelen bij elkaar heeft geniet tot een tijdschrift. Maar het is erger dan dat. Met een bange blik kijk ik naar de muur, de billen, het schaamhaar.

‘En die foto’s dan?’ piep ik.

‘Stills uit een oude pornofilm.’

De man die ik zo even nog zag als een hobbyist, een goeiige verzamelaar, blijkt een duivelskunstenaar.

De organisatrice van de avond, tevens directeur van de Vrije Academie, komt erbij staan.

‘Ik had je toch gemaild dat het niet echt is?’

Een vrouw uit het publiek ligt dubbel van het lachen.

‘Dat gezicht van jou!’ roept ze wel vier keer.

Een meisje stelt zich aan me voor als degene die figureert op de zogenaamde onthoofdingsfoto’s van de zogenaamde Ankie Geeneen. Ik zeg dat ik ze erg grappig vond, de foto’s. Dat ik het überhaupt allemaal buitengewoon geestig vind. In gedachten ga ik razendsnel mijn mail van de afgelopen weken na. Was ik zo gehaast geweest dat ik essentiële informatie over het hoofd had gezien?

Diana Blok komt op me af. ‘Je speelde je rol heel goed.’

Weer die vrouw uit het publiek: ‘Dat gezicht van jou!’

Suizebollend zat ik in de trein terug. Ik sms’te mijn dochter, van wie ik een berichtje had over de finale van het televisieprogramma Wie is de Mol, waar we anders samen naar zouden hebben gekeken.

Ging het goed? stond er onder aan haar berichtje.

Ik sms’te terug: Was heel raar. Denk Truman Show en dan was ik Jim Carrey.

Het was ook raar, en een beetje een nachtmerrie zelfs. Een idiote nachtmerrie. Lachwekkend, beschamend, schokkend. Het feit dat ik zo goedgelovig mee was gegaan in wat ik nu herken als een karikatuur, dat schokte me vooral. Met terugwerkende kracht dacht ik na over het feministische discours, hoe ik daarin was geschoold en gaandeweg gewend was geraakt aan het bijbehorende interpretatiekader, om niet te zeggen: het bijbehorende stel oogkleppen. Had ik dat hele feminisme eigenlijk niet al te lang al te serieus genomen? Hoe kon ik anders zo’n dankbaar slachtoffer zijn?

Boven alles zette dit gebeuren, deze hoax, me aan het denken over hoe we kijken, wat we zien, en hoe we betekenis geven. Hoezeer betekenis wordt gecreëerd door een context. Wat het ene moment nog een onschuldige lesbische poezelseksfoto was, gekiekt thuis op de boerderij, bleek het volgende moment hardcore porno. Zo makkelijk is het kennelijk om een blik te richten, waarmee ik overigens niet wil onderschatten hoe ingenieus, precies en humoristisch de bedenker van dit alles te werk is gegaan. Je zou zelfs kunnen zeggen dat door mij uit te nodigen als nietsvermoedende discussieleider, ik het kunstwerk van Arjan de Nooy heb vervolmaakt.

Wat het ene moment nog een zoekende hobbyist leek, was al die tijd de genius.

Ik sms’te mijn dochter dat ik het haar nog uitgebreid zou vertellen, maar dat ik in ieder geval voorgoed klaar was met vrouwendag.

En ik nam me voor om alles wat ik tot nog toe heb geschreven te herroepen. Bij deze.


Haarscherp: De vrouwelijke blik in de fotografie _. Een__ project van Arjan de Nooy_. Wegens succes verlengd tot en met 29 april. Vrije Academie, Paviljoensgracht 20-24, Den Haag. www.gemak.org