Gefnuikte levens

In rocktaal zou dit Ronelda Kamfers ‘difficult second album’ zijn. Haar debuut (2008) Noudat slapende honde won de Zuid-Afrikaanse Eugène Maraisprijs voor poëzie. Kamfer werd bejubeld als 'de stem van de Kaapse Vlaktes’. Met zorgvuldig gekozen woorden gaf ze vorm aan de levens van hen aan gene zijde van Kaapstads Tafelberg, de kleurlingentownships met hun gangs en drugsoorlogen.
En toen werd het stil, en vroegen we ons af of haar hetzelfde lot beschoren was als al die andere veelbelovende jonge Zuid-Afrikaanse schrijvers: een fraai debuut, en dan het zwarte gat. Maar nu is haar nieuwe bundel grond/Santekraam verschenen. Ik las het. En nog eens. En nog eens. En ik dacht aan wat de Amerikaanse cultuurfilosoof Greil Marcus over Bob Dylan schreef: 'I was never interested in figuring out what the songs meant. I was interested in figuring out my response to them.’ En mijn respons op de 42 gedichten: verbluffing. Dagenlang bleven ze bij me, kronkelend in mijn hoofd, vragen oproepend, nieuwe vergezichten scheppend. Ze deden zeer, haakten zich in het hart.
Dertig is ze, fan van Jimi Hendrix, Tupac en Arcade Fire. Maar in haar nieuwe bundel klinkt Kamfer leeftijdsloos. Ze klinkt als Athena, de Griekse godin van de wijsheid. Dit zijn gedichten over grote onderwerpen: conflict en verlossing, waarheid en leugens. Ze wroeten in de ziel en de geschiedenis van dat land met al zijn verhalen van mensen wier stem nooit werd gehoord. 'jy moet maar ja en amen want al wat jy het is die oorvertel’, schrijft Kamfer in Oorvertel 2. De vijf 'overleverde’ gedichten zijn gebaseerd op verhalen die ze hoorde toen ze als klein meisje op een boerderij woonde waar haar opa fruitplukker was. Op haar veertiende verhuisde ze naar de kleurlingentownship Eersterivier en maakte ze kennis met het Kaapse Wilde Westen.
Moeiteloos mengt ze het helse heden met het tragische verleden en het warme bad van het onderbewuste. Ze neemt verschillende personages aan, gebruikt een veelheid aan dialecten, neemt ons mee naar hopeloze townships, verlaten vissersdorpen en de bodem van de zee. Laag na laag brengt ze aan. Het perspectief wisselt. Vorm en ritme veranderen mee. De zinnen, woorden, letters en pauzes strekken zich uit, draaien en buitelen (Mislukte Mitchy manmin staan op voor die spieël dis sy wens wens wens wat waar waar waar word word word). Maar de toon blijft zuiver, nooit te bloemrijk of verbitterd - eerder afstandelijk, een tikkeltje fatalistisch.
Ze roert de heikele kwesties aan, zoals grond en de gedwongen verhuizingen tijdens apartheid. In na die Klippenkust stelt ze ons voor aan oom Grootvis Visser, afstammeling van uit 'ons Indië’ geïmporteerde slaven. Hij zit op zijn veranda te piekeren over de verwrongen levens van zijn overleden ouders. En Kamfer schrijft:

oom Grootvis Visser sug en staar oor die
diepblou hemelwater uit hy dink aan
sy ouvader se mense met die Indiese bloed
hulle is ook net weggevat van hulle grond
hy wonder of dit sy bloed
se skuld is sy bloed
wat maak dat sy voorgangers
en hy elke keer
weg moet

De kern voor veel van grond/Santekraam is Skipskop, ooit een levendig vissersdorp aan de westkust van Zuid-Afrika, maar in de jaren tachtig ontruimd omdat de apartheidsregering er een militaire installatie wilde neerzetten. Progressief blank sprak er schande van. De populaire zanger David Kramer schreef er een liedje over, So long Skipskop. Het is een oppervlakkige betrokkenheid die in Kamfers ogen geen genade vindt. Haar personage noemt de zanger 'daai fokken Kramer-jong’, die Kramer klootzak. 'wit mens se sad en onse sad is different/ hulle huil oor die plek/ oor dit mooi was.’ Het blanke verdriet is anders. Zij janken omdat het ooit zo'n mooie plek was.
Skipskop keert in vele gedaanten terug: in de droge beschrijvingen van het landschap, de ketsende taal vol klip, skip, skop, afkop, in de sociale kwesties, de surrealistische onderwatergedichten. De nasleep van Skipskop vormt de basis voor een narratief met terugkerende personages en een verhaallijn los gebaseerd op ontworteling.
Uiterst schrijnend zijn Kamfers persoonlijke gedichten, over haar druggie vriend Shaun en de suïcidale Jeppe, over haar moeder, over haar vader die haar moeder mishandelde en over haar onmacht na het overlijden van haar geliefde, verhalenvertellende opa.

die swaarste vir my was nie dat my oupa dood was nie
maar
dat die aarde aanhou draai het
dat ek aanhou leef het
dat alles wat verkeerd was nog steeds verkeerd is

En dan is er het gedicht over de 'meid’, die universele Zuid-Afrikaanse poetsvrouw die bij blanke gezinnen inwoonde en de kinderen grootbracht omdat ma het te druk had met tennis en dinner parties. De 'meid’ als surrogaatmoeder. Het gebeurt nog steeds, en iedereen vindt het de gewoonste zaak van de wereld. En dan lees je het korte gedicht Katie het kinders gehad, waarin Kamfer haar tante Katie neerzet, die vanaf haar zestiende als poetsvrouw voor een blank gezin moest werken. Katie was een prachtige vrouw, die zich graag opdofte. Behalve als ze naar haar werk ging. Dan kleedde Katie zich als een sloofje. 'sy wou lyk soos sy voel het sy gesê soos die meid’. Ze wilde eruitzien zoals ze zich daar voelde, zoals een 'meid’.
Tante Katie, oom Grootvis Visser, oupa, Shaun, Jeppe, allemaal mensen die hun dromen en verlangens nooit konden najagen. Over dergelijke gefnuikte levens gaat grond/Santekraam. Het is een moderne Zuid-Afrikaanse variant op de Amerikaanse dust bowl blues, de vergeten liedjes van de katoenplukkers en de chain gangs - een pleidooi voor menselijkheid.


RONELDA KAMFER
GROND/SANTEKRAAM
Kwela Books, 64 blz., R 160,- (€ 16,-)