Gefotografeerde geestestroebelen.

Het aardige van een kleine tentoonstelling in een achterafzaaltje is het gevoel dat je haar zelf hebt ontdekt, en ze een beetje van jou is. Die identificatie wordt versterkt als het geexposeerde zich ook nog eens in het halfduister ophoudt en de enige mededinger een verdwaald stel is op doorreis naar het belendend zalencomplex.

Aan deze prettige voorwaarden wordt voldaan - tot het moment van publikatie van dit stukje natuurlijk - op de tentoonstelling Componisten: Fotoportretten in hetGemeentemuseum in Den Haag, op de afgelegen muziekinstrumentenafdeling, en dan ook nog eens in het bezijden daarvan liggende muziekprentenkabinet. Het betreft een alleszins overzichtelijk expositietje, want hoewel het gaat om zo'n veertig portretten, zijn het allemaal foto’s van ongeveer hetzelfde kleine ansichtkaartformaat dat in de vorige en begin deze eeuw standaard was.
Vanuit deze eenvormigheid borrelen de verschillen naar de oppervlakte. Toegevend aan een sterke impuls tot herkenningsspelletjes - van de bars doorgroefde Dvorak tot de onbestaanbaar besnorde Elgar, en wat was de legendarische verleider Liszt al afstotelijk op zijn vijftigste - ontdoet een tweede ronde de portretten pas van het patina van de onherroepelijk vergleden belichtingstijd en kan de rij onderscheiden worden in twee categorieen. Vrijwel alle foto’s zijn in een fotoatelier vervaardigd, maar waar de meeste typische voorbeelden zijn van de negentiende-eeuwse voorkeur voor verstikkend burgerlijk naturalisme, springen er enkele uit die met een ander oog zijn gemaakt - als het ware door een kunstenaarshand aangeraakt.
Het typische atelierportret toont de componist ten voeten uit tussen de verschillende rekwisieten die de foto de allure van een salonportret moeten geven: een borstbeeld hier, een draperie daar. Ze creeren een indifferente achtergrond, die over karakter noch beroep van de geportretteerde uitsluitsel geeft.
Een van de uitzonderingen is de foto van de Franse pianovirtuoos en componist Henry Litolff, gemaakt omstreeks 1865 door de befaamde Etienne Carjat. Evenals zijn tijdgenoot Nadar was Carjat karikaturist voor hij zich aan de fotografie wijdde - en ook zijn portretfoto’s geven blijk van het vermogen psychologisch inzicht om te zetten in een duidelijk sprekend beeld. Een neutrale achtergrond, geen rekwisieten die de aandacht afleiden en het lichaam afgesneden onder de knie concentreren de aandacht op de pose en de gelaatsuitdrukking, die - in het geval van Litolff - een welwillend inzicht geven in de geestestroebelen die een genie op eenzame hoogte boven de van visie en ideeen verstoken burgerij nu eenmaal bespoken. Over een concert in Nederland van ‘de pianoheld Litolff’ oordeelde Caecilia, Algemeen Muziekaal Tijdschrift van Nederland: 'Zijn spel was meesterlijk en ’t werk bezit een gloed en eene welsprekendheid, die den genialen kop doen kennen.’
Carjat en Nadar behoren tot de eersten die tegen de strikt commerciele voorwaarden van hun in marktgericht vaarwater terechtgekomen metier ingingen. In de twintigste eeuw werd het gebruikelijker dat een portretfotograaf in de eerste plaats zijn visie gaf op de persoonlijkheid van zijn model. Daar dankt de wereld dan ook reeksen prachtige componistenportretten aan, zoals - mijn favoriet - de roerende foto die Snowdon van de oude Stravinsky maakte, of Arnold Newmans verbluffend gestileerde compositie die hem halverwege zijn loopbaan toont.
Een nog jeugdiger portret, onmiskenbaar geschoten in het interbellum, hangt op de tentoonstelling in Den Haag naast een portret van Arthur Honegger. Het zijn onderkoelde foto’s in de stijl van de Neue Sachlichkeit en lijken vooral het afstandelijke neoclassicisme weer te geven waar Stravinsky en Honegger zich in die tijd mee onledig hielden. Ze veinzen eenzelfde neutrale objectiviteit als de gemiddelde negentiende-eeuwse portretfoto, maar zeggen evenveel over achtergrond en voorkeur van het publiek waar de fotografen op in dachten te spelen. Maar toen waren er al vele Carjats.