Gegijzeld, maar door wie?

Nederland is in de ban van een film waar de buitenlandse pers al op afkomt, waarover alle burgemeesters inmiddels een brief hebben gekregen en alle ambassadeurs zijn ingelicht, terwijl niemand ook nog maar één shot heeft gezien, de titel niet bekend is, nog nergens de naam van de regisseur is gevallen en het ook naar de premièredatum gissen is. Voor de schrijver van het script, de parlementariër Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid, moet dit geweldig zijn. Zo veel free publicity, daar zou menig beginnend scriptschrijver jaloers op zijn.

Wilders heeft aangekondigd te laten zien hoe duivels de koran is. Hoe hij ons de ogen gaat openen, zoals hij het zelf noemt, weten we nog niet. Maar we zijn als de dood voor wat er aan repercussies zou kunnen komen vanuit islamitische hoek: rellen, branden, aanslagen, een economische boycot. Die angst op zichzelf is overigens voor Wilders weer een bewijs hoe gevaarlijk de islam is en hoe nodig zijn film. Volgens zijn theorie gijzelt niet hij, maar de islam ons.

Het lukt de politicus Wilders telkens weer in het nieuws te komen, omdat hij als het ware een wedstrijd aan het spelen is waarin hij tijdens de speeltijd vrijelijk de regels verandert en de autoriteit van de scheidsrechter niet accepteert, terwijl de rest zich wel aan de geschreven en ongeschreven regels van de democratie en het Haagse debat houdt. Zoals de regel dat je geen groepen in de samenleving discrimineert en je in een debat een minister niet voor knettergek uitmaakt. Wilders provoceert en maakt gebruik van nieuwigheden, zoals bewindspersonen met dubbele paspoorten, en van de angst bij anderen om woorden als racist in de mond te nemen. Hij duwt zijn tegenstanders keer op keer in een rol waarin ze slechts kunnen reageren, waarbij ook niet-reageren een reactie is.

In politiek Den Haag was het D66-leider Alexander Pechtold die in de aanloop van de kamerverkiezingen van 2006 uitlatingen van Wilders niet onbesproken liet. Waar andere politici nog het niet-reageren-adagium hanteerden, ging Pechtold ertegenin. Wilders’ opmerking over een ‘tsunami’ van islamisering, noemde Pechtold ‘te walgelijk voor woorden’. Maar dezer dagen, nu menigeen denkt dat het ergste wat Wilders kan verzinnen nog moet komen, ziet fractievoorzitter Pechtold juist een weg omhoog.

‘Wilders’ potentiële slachtoffers zijn weerbaarder dan een paar jaar geleden. Onder jonge, hoogopgeleide Marokkanen of Turken is Wilders in rap tempo een cultfiguur aan het worden, een rare man met geverfd haar.’ Daardoor wordt Wilders ontmaskerd, denkt Pechtold. ‘Dan krijgen we een man te zien die van de huidige politici in dit kamergebouw bijna het langst werkt, binnen de VVD geen ruimte kreeg, toen een niche heeft gepakt, doorgaat op zijn martelaarschap, maar nooit echt is doorgebroken.’

Dat Wilders vooralsnog naar steeds grovere middelen lijkt te zoeken, is volgens Pechtold ‘een fase waar je doorheen moet’. Hij, en met hem anderen in de Tweede Kamer, vindt Wilders ook voorspelbaarder worden. Al was men wel verrast door zijn kritiek op het koningshuis na de kerstboodschap van de koningin en door het feit dat hij zijn achterban daarmee niet tegen zich in het harnas joeg. Pechtold denkt dat het te maken heeft met het snel wegvallen van de mystificatie van het koningshuis als gevolg van de huwelijken met burgermeisjes en de internationale banen van vele Oranjetelgen. Wilders’ achterban wil volgens hem juist een koningshuis dat niet doet alsof het je buren zijn.

Pechtold constateert verder dat in de Kamer ‘het nieuwtje’ eraf is. ‘Toen Wilders vorige week een debat aanvroeg over het koningshuis, nam niemand van ons de moeite om zelfs maar te formuleren waarom wij niet willen praten over een ceremonieel koningschap. Ook wij als D66 niet. Wij laten ons niet door hem dwingen dat onderwerp naar aanleiding van een hype op de agenda te zetten.’

Wilders had collega-politici in het recente verleden wel vaak in de tang. Dat lukte hem omdat zij bang waren de gunst van de kiezer te verliezen. Vooral van de kiezer die in de jaren negentig was verwaarloosd, de autochtone Nederlander die in zijn dagelijkse woon- of werkomgeving veel met allochtonen te maken had, maar toen niet mocht zeggen dat hij daar moeite mee had, ja zelfs werd uitgemaakt voor racist als hij daarover klaagde. De onvrede daarover barstte naar buiten doordat wijlen Pim Fortuyn deze benoemde. Vooral de PVDA werd daarvan toen het slachtoffer en kelderde fors in zetelaantal.

Helemaal weg is die angst nog niet. Maar het deze groep naar de mond willen praten, is wel aan het verminderen. Pechtold denkt te weten wat daar de oorzaak van is. ‘We zien dat Wilders een niche bespeelt, maar ook niet meer dan een niche. Zijn aanhang bestaat uit een kleine groep van mensen die niet mee willen doen in deze samenleving en de schuld voor hun frustraties bij anderen leggen. Ik zal altijd aandacht aan die groep blijven besteden, maar ik laat me door die tien procent van de kiezers niet gijzelen.’