Tema con variazioni

Gegniffel over Amerika

Kan iemand mij uitleggen waarom de Vrij Nederland-column van Hugo Brandt Corstius met de week vervelender wordt, terwijl zijn wekelijkse rubriek in het dagblad Trouw daarentegen alleszins leesbaar is?

In zijn laatste bijdrage aan het christelijke dagblad neemt hij de Amerikanen in bescherming, die op het ogenblik wereldwijd, tot in de primitiefste bananenrepublieken aan toe, worden uitgelachen. «Wat is er eigenlijk mis met de Amerikaanse verkiezingen?» vraagt Brandt Corstius zich af. «Dat er maar twee kandidaten zijn? Dat is in Frankrijk net zo, en dat is beter dan de drie of vier concurrerende grote partijen in Nederland, waar de kiezers geen enkele invloed hebben op wat voor coalitie er komt. Dat de televisiekanalen de uitslag verkeerd voorspelden? Dat maakt het alleen maar spannender. Dat de twee kandidaten zo allemachtig veel geld uitgaven? Dat hoeven wij toch niet te betalen? Dat de verkiezingen eigenlijk indirect zijn omdat de kiezers kiesmannen kiezen die vervolgens de president kiezen? Dat zijn bepaald niet zulke indirecte verkiezingen zoals wij in Nederland voor de Eerste Kamer hebben, die daardoor meestal rechtser uitvalt dan de Tweede Kamer.»

Ik schiet in deze redenering moeiteloos twintig gaten. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het feit dat hij de Amerikanen in bescherming neemt, een natie die aan het bewijzen is dat daar elke stem telt, een feit waarvoor ik in Oeganda of Oezbekistan niet mijn hand in het vuur zou durven steken.

De wereld is traditioneel tegen Amerika. Dat land is te groot en te machtig, te moraliserend en te belerend om zich geliefd te maken. Het anti-Amerikanisme is een constante in de geschiedenis, hoeveel continenten het land ook van dictatoriale overheersers heeft bevrijd. Menno ter Braak, nauwelijks de luier en het looprek ontwassen, legde in 1928 uit «Waarom ik ‹Amerika› afwijs», een opstel dat Washington op zijn grondvesten deed schudden. Ik ga niet in op Ter Braaks argumenten, hooghartig studentenproza dat wij genadiglijk als een jeugdzonde zullen beschouwen. Ik beperk mij tot de aanhalingstekens waarmee de aankomende schrijver «Amerika» te lijf ging, aanhalingstekens waaraan hij werkelijk verslaafd was. Een voorbeeld is de eerste alinea van Het carnaval der burgers (1934):

«Wij» zijn het slachtoffer van het hulpeloze «Ik»; «wij» zijn de koude verstening en de warme illusie van «ik». Daarom is het credo van deze regels geboren tussen de verstening en de illusie, geboren uit de afkeer van «wij» en de liefde tot «wij». «Wij» is de allerleegste titel van deze eeuw. «Wij» dansen, allen, op het carnaval, en «wij» hebben, allen, daarna de kater, dan denken «wij», dat met ons «de nieuwe mens» is gekomen of komen zál. «Wij» is ons eerste en laatste gebaar van tederheid, en «wij» betalen belasting.

Zo gaat het een volle pagina door. Allicht dat Ter Braak «Amerika» afwees, een land met ongetwijfeld negatieve kanten, zij het niet in de literatuur, waarin het op prijs wordt gesteld als iemand een poging doet zich in verstaanbare bewoordingen uit te drukken.

Nadat de Amerikanen de Duitsers hadden verslagen werd de oorlog tegen het land van «mom, careerwoman en sex bomb» hervat door Ter Braaks leerling Fokke Sierksma. Hij richtte zich primair op de Amerikaanse reclame, verantwoordelijk voor een «sluipmoord op de menselijkheid» (Testbeeld, 1963). De reclame sluipt via «de weg van de sexualiteit» onze huiskamers binnen, constateerde Sierksma, een echte geleerde wiens blik niettemin niet veel verder dan het Leidse Galgewater reikte. «Niet alleen de mannen worden gebiologeerd en verleid door de ontelbare, halfnaakte pin up girls, ook de uitgehongerde vrouwen worden langs dezelfde weg benaderd. De gefrustreerde bazinnen van een natie, die veel te veel vrije tijd hebben, zijn de slavinnen van de massacommunicatiemiddelen. Daarbij worden ze ook sexueel bewerkt, op een wijze, die met een Nederlands werkwoord, dat helaas niet gedrukt kan worden, uitstekend kan worden omschreven.»

In ongefrustreerd, eigentijds Nederlands: Sierksma bedoelde dat de Amerikaanse vrouwen zich door Jan de Reclameman laten naaien.

Het betoog van Sierksma, constateerde K.L. Poll in een venijnige repliek, is de typische analyse van een studeerkamerdenker met een hooghartige kijk op een «ontmenselijkend» fenomeen als de televisie. «Dit is natuurlijk grote onzin», zei Poll. «Televisie heeft uitsluitend menselijke mogelijkheden, zolang de programma’s door mensen worden ge maakt en niet door dieren of bewoners van andere planeten. Sierksma is bang voor de machine, voor iedere machine, zoals de extreem gereformeerde boer die de aarde liever met zijn handen openkrabt dan met een ploeg. Hij is bang voor verandering, voor handel en industrie met hun duivelse reclame en hun duivelse winst, voor zondige vrouwen, voor de grote stad, voor sport op zondag.»

Poll heeft volkomen gelijk gekregen. Men kan zich storen aan het gekraai van Petje Pita mientje, men kan zich te barsten ergeren aan de wijze waarop Monique van der Ven zich ver huurt en verhoert, niettemin zal geen mens kun nen beweren dat de beschaving op het punt staat om aan de reclame ten onder te gaan.

Polls opstel heette sarcastisch «Een vijand van Amerikanen». Dat tal van vijanden nam aanmerkelijk toe toen de Amerikanen hun ongelukkige pogingen deden Indo-China naar het stenen tijdperk terug te bombarderen. Na deze vergissing kregen de Amerikanen weer wat meer krediet van het hooghartige Europa. Niettemin, het anti-Amerikanisme leeft nog steeds, getuige de gniffelende wijze waarop op de worstelwedstrijd tussen Al Gore en George Bush wordt gereageerd. «Hier heerst de opvatting dat Amerika een oppervlakkig land is. Maar het tegendeel is waar. Topuniversiteiten als Harvard en Princeton zijn bijvoorbeeld veel beter dan de topuniversiteiten hier. In Nederland lult iedereen elkaar maar na.»

Aldus Theo van Gogh in een vraaggesprek. Het is verstandige taal. Anti-Amerikanisme is ordinair. Je kunt net zo goed tegen het weer zijn of tegen de beursberichten. Het was even zoeken, maar eindelijk hebben wij een thema gevonden waarin beide aartsvijanden, Van Gogh en Brandt Corstius, niet met elkaar van mening verschillen.