Gehaaid noch blasé

LIEVE JORIS
DE HOOGVLAKTES
Augustus, 140 blz., € 15,-

De aardse gebieden waar mobiel telefoonverkeer onmogelijk is worden steeds spaarzamer, maar op de Congolese hoogvlaktes vallen alle signalen van buiten weg. Lieve Joris (1953), ervaren (Congo-)reizigster en internationaal bekend schrijfster, doet deze onherbergzame regio voor de eerste keer aan.
De hoogvlaktes vormen het grensgebied met Rwanda en Burundi. Al sinds de jaren zestig is het er onrustig en vormt de regio een broedplaats voor rebellieën. Het is een gebied dat, zoals heel Congo, onderhevig is aan stammenpolitiek. Sinds 1997 zijn de Banyamulenge er de heersende stam. Dit oorspronkelijk Rwandese volk vocht mee met Kabila in de strijd tegen Mobutu. Zij hebben nu de meeste koeien en de beste huizen. De kolonel, die er de scepter zwaait, hoort ook tot de Banyamulenge. Van hem krijgt Joris permissie om haar tocht te ondernemen. Dat is bijzonder, want de sporadische blanke die voet zet in deze regio, is doorgaans hulpverlener of missionaris.
Joris heeft een duidelijke voorkeur voor moeilijke gebieden. Eerder was ze bijvoorbeeld in Syrië, Egypte en Mali. Maar waarom moet ze nu juist hier naartoe, de regio waarvan al haar Congolese vrienden zeggen dat er niets te vinden is? Waar de Congolese uitbundigheid ontbreekt en de mensen arm en ongeschoold zijn? Uit pure en oprechte nieuwsgierigheid. Joris wil het zelf wel eens zien.
Potentieel gevaar of ontberingen brengen haar niet van dat plan af. Gevaar, omdat langs alle hoofdwegen de Mayi Mayi rondstruint, een volksmilitie die de rondreizende commerçanten geld aftroggelt en een blanke niet zomaar zal laten passeren. Ontberingen, omdat er geen gemotoriseerd vervoer mogelijk is op de hoogvlaktes. Iedereen loopt, dus ook Lieve Joris. Ze klimt over bergen en struint door het woud, vergezeld door een gids. In totaal is ze vier maanden onderweg en hier en daar blijft ze wat langer hangen. Kennissen uit Congo – ze heeft er inmiddels heel wat voetstappen achtergelaten – hebben haar adressen van vrienden en familie gegeven om bij te logeren en zo reist van huis naar huis en van dorp naar dorp.
Joris legt gemakkelijk contact met mensen en ze observeert goed. Haar eerdere reizen en ervaringen lijken haar daarin niet te beïnvloeden: ze is gehaaid noch blasé. Hoewel ze zonder gêne de ergernissen uit die ze onderweg opdoet, beschikt ze ook over engelengeduld. Dat moet wel in een land waar zo weinig structuur is. Wat wel blijft, ook in haar eerdere verhalen over Congo, is een diep onbegrip voor de achteloosheid. Of het nu mensen betreft die hun hoestende kinderen ’s nachts niet onder een warme deken leggen, of de lamlendigheid waarmee alle publieke goederen worden behandeld of de manier waarop de verschillende stammen met elkaar omgaan. In Congo is het onderdrukken of onderdrukt worden. De bevolking heeft daar al lang mee leren leven, maar Joris moet zich nog dagelijks over haar afkeer heen zetten.
De hoogvlaktes is opgedragen aan haar moeder, die vlak voor deze reis overleed. Al snel blijkt dat de relatie tussen moeder en dochter nooit een heel innige was. Maar Joris kijkt met een goed gevoel terug op de laatste weken waarin zij voor haar moeder heeft gezorgd. Haar moeders sterfbed vormt een wezenlijk onderdeel van het boek en ook over de jaren daarvoor is ze openhartig. Joris, altijd op een ander continent, was de dochter die er nooit was. Maar op deze reis is haar moeder steeds in de buurt. Misschien omdat de dood in Afrika dichter bij het leven staat. Misschien omdat Joris bij de Congolezen hetzelfde onbegrip voelt als er ooit tussen haar moeder en haar heerste. Wat doet een vrouw alleen in Afrika? Waar zijn je man en kinderen? vragen de mensen haar. ‘Een kinderloze vrouw sterft niet, zij verdwijnt’, luidt een Congolees spreekwoord.
Om niet steeds in dezelfde gesprekken te belanden, verzint ze een paar kinderen. Maar er zijn meer confrontaties. Want de Congolezen willen ook weten waarom ze niet in God gelooft. Haar eerste reis naar Congo ondernam Joris in de voetsporen van haar heeroom, die ooit als missionaris naar de Belgische kolonie was vertrokken om het evangelie te verspreiden. Hij en zijn broeders hebben hun werk goed gedaan, want de christelijke religie is alomtegenwoordig op de hoogvlaktes. De devotie van de Afrikanen overstijgt die van de gemiddelde Europese kerkganger met gemak. De nachten spenderen ze graag in de kerk, zingend en luisterend naar het woord Gods.
Haar eigen atheïsme valt Joris niet eens zo zwaar, maar dat de kerk het welvaartverschil tussen de stammen versterkt door haar inmenging staat haar tegen. Zo hebben de Banyamulenge, die brave christenbroeders zijn, veel betere, want door kerk gesponsorde scholen dan bijvoorbeeld de Shi of de Bembe. Wanneer ze een Bembe-dorpje bezoekt, loopt Joris een schooltje binnen. ‘De aardrijkskundeles was in volle gang. Cambodge, Japon, Vietnam had de onderwijzer op het bord geschreven. Hoe kon je die namen bevatten zonder atlas of wereldbol, wat hadden zij te maken met het leven hier?’ vraagt de reizigster zich vertwijfeld af. Aardrijkskunde zonder wereldkaart: naar diepere symboliek voor het lege leven op de hoogvlaktes hoeft Joris niet te zoeken.