Baby Blue van Theo van Gogh

Gehaktdag

De nieuwste film van Theo van Gogh, «Baby Blue», verdeelde bij de première het publiek. Toch is het zijn beste film.

Ja, Theo van Gogh en ik kennen elkaar. Zijn we vrienden? Ach, Theo noch ik heeft diep-warm-menselijke gevoelens bij dat woord; wij vinden elkaar aardig; en ik kan me maar moeilijk voorstellen dat er mensen zijn die hem kennen en hem niet aardig vinden. Theo is een charmeur in het dagelijks leven en een roofdier achter de tekstverwerker en hij weet dat. We staan kritisch tegen over elkaar — en mocht u dat niet geloven, de bewijzen liggen bij mij ter inzage.
Tot zover over onze interne betrekkingen, die ik altijd moet uitleggen als het over Van Gogh en mijn bewondering voor zijn artistieke producten gaat.
Nu over de nieuwe film van Theo van Gogh: Baby Blue. Ik — vriend van Theo — vind het zijn beste film. Toen ik dat tegen hem zei, was dat niet een première-complimentje, al vind ik wel dat je je op een première enigszins gedeisd dient te houden, welke mening niet alle vrienden van Theo waren toegedaan. Ik vond het trouwens Theo’s meest bijzondere première — ik heb er ook wel meegemaakt waar de cineast rollebollend over de vloer ging. Dat was dit keer niet het geval.
Hoewel… De film Baby Blue dreef wel een wig tussen het premièrepubliek en dus tussen de vrienden van Theo; dezelfde wig die je ook in de pers ziet. NRC Handelsblad en provinciale pers vonden de film goed, Parool en Volkskrant vonden hem slecht. Maar er is een verschil: de «slechteriken» vonden BB wel héél rottig in elkaar zitten. De première werd voor Theo gehaktdag.
Klopt de kritiek? Heb ik me vergist?
Men zegt bijvoorbeeld dat Baby Blue «geen Van Gogh-film is, maar een ordinaire thriller».
Pardon? Wie, zoals ik, alle films van Van Gogh kent, met hem heeft gewerkt (en met hem twee films heeft gemaakt), weet dat hét thema van Van Gogh ANGST is. Zijn films zijn nachtmerries of gaan over nachtmerries. Er worden katjes in wasmachines gestopt, er worden zelfmoorden gepleegd, kinderen schieten ouders neer, er wordt in al die films opgelicht en bedrogen, of het nou Loos is, Een dagje naar het strand of Hoe ik mijn moeder vermoordde. Kortom: alle ingrediënten van een thriller maken juist de poëtica van Van Gogh uit die er terecht van verdacht wordt het leven, de wereld et cetera als een gruwelijke nachtmerrie te zien. Baby Blue is dus bij uitstek een Van Gogh-film «waarin je ergste nachtmerrie bewaarheid wordt», waarin het hoofdthema is: iedereen liegt en bedriegt elkaar en waarin ik toch — typisch vangoghiaans trouwens, zeg nou zelf — een vader zijn dochter zag penetreren met goedvinden van die dochter, overigens.
Ik begrijp wel waar die kritiek vandaan komt. Theo’s films hadden ook altijd iets van een persoonlijke wraakneming. Een klootzak heette altijd Michaël Zeeman of Hugo Brandt Corstius — zulke dingen — en de kritiek vond dat altijd «kinder achtig». Nu zijn al die kinderachtigheden eruit en nu heet het «geen typische Van Gogh-film».
Ik besef dat aantonen dat het thema typisch Van Gogh is, niets zegt over het tempo of het beeld van de film. Maar goed, «geen typische Van Gogh-film» was een punt van kritiek.
Tempo en manier van vertellen zijn subjectieve zaken. Van Gogh is een regisseur die zich eerder door de film noir heeft laten inspireren dan door de Amerikaanse Spielberg-shit, hoewel hij daar wel jaloers op is. Zijn manier van vertellen wordt eerder tot uitdrukking gebracht in zijn spelregie en de dialogen dan door ingewikkelde, suggestieve narratieve structuren. Theo is altijd helder. Anders gezegd: hij laat niet de camera het werk doen, maar de acteur voor de camera. «De psychologie ontbreekt dit keer», zeggen de recensenten.
Kunnen jullie wel kijken, denk ik dan? Wat ontbreekt, is de eenvoudige psychologie, de ontwikkelingsgang van «ik ben een naïeve jongen» aan het begin van de film naar «ik heb nu levenservaring opgedaan en veel geleerd» aan het eind van menig Nederlands cinematografisch werkstuk. Psychologische ontwikkeling is ook, en zeker bij van Van Gogh: «Ik ben een leugenaar en bedrieger» aan het begin naar «iedereen is een leugenaar en bedrieger en ik dus nog meer» aan het eind. Dat is precies wat er bij Baby Blue aan de hand is.
En het tempo? Tja, wanneer iemand zegt dat een boek, film, opera, muziekstuk, hem te traag is, dan verdenk ik zo iemand meestal van een tamelijk beperkt artistiek inzicht dat slechts gevoed is en gevoed wordt door de hamburgerbeelden van de televisie-industrie die verfijning om zeep helpt met een hakbijl en denkt dat snelheid een hoogwaardig en nastrevenswaardig kunstzinnig doel is. Je hebt altijd de keuze uit drie: te lang, net goed, te kort. Wie het juiste tempo heeft, mag het zeggen.
Het misverstand begrijp ik wel. In zijn interviews zet Van Gogh zijn geïnterviewden voor «een gezellig gesprek» liever op een elektrische stoel dan op een canapé van zacht pluche, en in zijn columns blijkt het slagersmes een menslievend instrument om iemand te ontbenen. Daarom lijkt het wel of de recensenten het nu niet kunnen hebben dat hij juist in zijn films zo veel mogelijk verfijnd te werk probeert te gaan. Baby Blue is Theo’s beste film, omdat hij nu eens de tijd neemt een ingewikkeld verhaal te vertellen op zijn eigen heldere manier. Iedereen maakt zich maar druk om dat verhaal (de een vindt het «te overduidelijk», de ander «begrijpt er niets van»), maar een film van Van Gogh is niet alleen een genrestukje, het is ook iets anders: het voortdurende «bewijs» hoe deze slechte wereld volgens Theo in elkaar steekt. Nogmaals: die wereld is angstig, vol bedrog en leugens, vol sadisten en viezeriken; kortom: alles is een thriller, zelfs wanneer er zomaar nieuwe buren tegenover je komen wonen.
Zelfs je vrienden kunnen je bedriegen, heeft Theo gemerkt.