Het Koninklijk Huisarchief

Geheim dossier

Is het Koninklijk Huisarchief een particulier archief of een rijksarchief? Daarover gaat het in de procedure die historicus Lambert Giebels heeft aangespannen om het nog steeds geheime regeringsdossier over de Greet Hofmans-affaire boven water te krijgen.

Waar eindigt het privé-domein van Beatrix en begint het openbaar domein van de koningin? Het antwoord op deze vraag wordt beheerst door artikel 41 van de Grondwet: «De koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.» Door de bepaling «met inachtneming van het algemeen belang», die bij de grondwetswijziging van 1983 in de plaats is gekomen van «naar eigen goedvinden», is de ministeriële verantwoordelijkheid voor de koninklijke faits et gestes wezenlijk uitgebreid. Ongetwijfeld heeft premier Kok deze bepaling in gedachten gehad toen hij de heer Zorreguieta de aanwezigheid bij de bruiloft van zijn dochter ontzegde.

Behoort het Koninklijk Huisarchief (KHA) tot het particulier of tot het openbaar domein? De koningin vindt dat het KHA, alhoewel uit overheidskas betaald, tot haar particulier domein behoort, en dat de openbaarheidsregeling voor overheidsarchieven op haar archief niet van toepassing is. Zij heeft een reglement opgesteld voor raadpleging van het KHA dat evenmin openbaar is; de ene historicus krijgt (soms) toegang tot dit archief, de andere niet.

Het HKA bestaat grotendeels uit felicitaties, tafelschikkingen en dergelijke. Deze ogenschijnlijke trivialiteiten kunnen niettemin voor het inzicht in het functioneren van het koningschap van betekenis zijn. Want voor het koningschap, dat slechts door een Oranje kan worden vervuld, geldt meer dan voor andere openbare functies: the personal is political. In het KHA bevinden zich ook dossiers die van verder strekkende betekenis zijn dan felicitaties en tafelschikkingen. Drie ervan zijn bekend. Het ene bevat de correspondentie van koningin Wilhelmina tijdens haar ballingschap in Londen met haar dochter in Canada. Deze correspondentie, waarvan Fasseur gebruik heeft mogen maken voor zijn Wilhelmina-biografie, wierp nieuw licht op die Londense periode. Een ander dossier heeft betrekking op brieven van koningin Juliana en prins Bernhard aan president Kennedy toen het Nederlands-Indonesische conflict over Nieuw-Guinea op zijn hoogtepunt was. Uit Amerikaanse archieven is de brief bekend waarin Kennedy het koninklijke echtpaar bedankt voor hun interventie bij de (gedwongen) overdracht van West-Nieuw-Guinea aan Indonesië. De correspondentie in het KHA kan onthullen waaruit die bemiddeling heeft bestaan. Een derde dossier in het KHA is niet alleen historisch, maar ook staatsrechtelijk belangwekkend. Dit is het dossier met het advies van de commissie-Beel over de Greet Hofmans-affaire uit 1956, met daarin ook rapporten van ondervragingen van betrokkenen waarop het advies is gebaseerd. Op grond van dit advies werd een aantal leden van de hofhouding gedwongen ontslag te nemen. Het kan daarom inzicht geven in de toepassing in de praktijk van de bepaling «met inachtneming van het algemeen belang» uit eerder genoemd grondwetsartikel — die waarschijnlijk naar aanleiding van de Greet Hofmans-affaire in 1983 in de grondwet is opgenomen.

Ter wille van mijn Beel-biografie heb ik telkenmale geprobeerd inzage te krijgen in dit dossier. Na even zovele vriendelijke, maar ontwijkende antwoorden op mijn verzoeken door de directeur van het KHA diende ik begin dit jaar een bezwaarschrift in, om een rechterlijke uitspraak uit te lokken over de vraag of het KHA nu wel of niet onderworpen is aan de openbaarheidsregeling van de Archiefwet. Niet de directeur van het KHA, maar de algemeen secretaris van Hare Majesteit de Koningin reageerde op mijn bezwaarschrift. Hij verwierp het met de formule dat het KHA een particulier archief is. Ingevolge de administratiefrechtelijke procedure die daarvoor staat, ben ik hiertegen in beroep gegaan bij de rechtbank van Breda. Ik verwachtte niet dat de rechtbank mij in het gelijk zou stellen, maar dat zij het oordeel in deze gevoelige zaak zou overlaten aan de hoogste administratieve rechter, de Raad van State. De rechtbank deed echter iets anders. De enkelvoudige kamer verklaarde zich «kennelijk onbevoegd» van mijn beroep kennis te nemen. Het is een mogelijkheid die de wet biedt om onbenullige zaken af te kappen. Met deze handigheid omzeilde de rechter een uitspraak over de vraag waarom het ging, de openbaarheid van het KHA, en blokkeerde tegelijkertijd een hoger beroep bij de Raad van State. Het verrassende argument dat hij heeft bedacht is dat de algemeen secretaris van de koningin geen ambtenaar is, dat voor zijn daden niet de ministeriële verantwoordelijkheid geldt, en dat daardoor diens afwijzing van mijn beroep geen «beschikking» is die vatbaar is voor beroep. Ik weet niet wie of wat achter de juridische handigheid van de Bredase rechter steekt. Wel is mij door de rechtbank meegedeeld dat paleis Noordeinde het vermaarde Haagse advocatenkantoor De Brauw-Blackstone-Westbroek in de arm heeft genomen om juridische bijstand te verlenen bij de verdediging tegen mijn beroep.

Tegen de uitspraak «kennelijk onbevoegd» door de enkelvoudige kamer staat nog één rechtsmiddel open: «verzet» (zoals bij een verstekvonnis). Alhoewel dit in 99 procent van de gevallen niets oplevert heb ik toch een verzetsschrift ingediend. Daarin verzoek ik de rechtbank haar afwijzing van mijn beroep te verwijzen naar de meervoudige kamer opdat de afwij zing met redenen kan worden omkleed en zodoende wel vatbaar wordt voor hoger beroep bij de Raad van State. Veel fiducie heb ik er niet in. Daags voor de behandeling van mijn verzetsschrift op 27 juni jongstleden liet het vermaarde advocatenkantoor weten dat «noch cliënt, noch ondergetekende in de gelegenheid is om aan de hoorzitting deel te nemen». De kaarten zijn geschud. Het is kennelijk tot de rechtbank van de Oranjestad doorgedrongen dat Hare Majesteit, naast het parlementaire debat over de ministeriële verantwoordelijkheid voor het Kabinet der Koningin dat aanstaande is, geen behoefte heeft aan ook nog een rechtszaak bij de Raad van State over de openbaarheid van haar archief.