Geheim het lichaam als essay

HENK PROPPER, EEN INTIEM SLAGVELD. UITGEVERIJ PROMETHEUS, 238 BLZ., F29,90.
Niet zozeer in de inleiding, maar in een wat verdwaald citaat las ik de gemeenschappelijke noemer van de essays die Henk Propper bijeen heeft gebracht in de bundel Een intiem slagveld. Ze zijn gewijd aan zo verschillende schrijvers als Montaigne, Gracian, Proust, Pavese, Michaux en Yourcenar. De tweede afdeling opstellen over bibliomanie en kitsch en de afsluitende coda over het tijdschrift Raster lijken een toegift, behorend tot de rubriek ‘wat verder nog ter tafel komt’. Ik geloof dat deze tweede afdeling meer is dan een appendix, er is wel degelijk een thematische samenhang tussen de schrijversportretten en de essays achterin de bundel.

Uit de inleiding zou je de indruk kunnen krijgen dat Propper in zijn schrijversprofielen op zoek is geweest naar de essentie van hun oeuvres. Dat zou je tenminste kunnen afleiden uit de vraag die hij expliciet aan het begin stelt. Hij heeft geprobeerd een antwoord te vinden op de vraag: ‘Wat hebben ze in hun werk willen creeren en aanwezig stellen?’ Propper zet dus hoog in en is zich daarvan zeer wel bewust, gezien zijn eigen mededeling dat de auteurs die hij bespreekt min of meer bij toeval zijn pad hebben gekruist. Bovendien behoren ze niet eens tot het lijstje schrijvers waartoe Propper zich het meest aangetrokken voelt (dat zijn onder anderen Flaubert en Sterne). In weerwil van de door hem gestelde uitgangsvraag geloof ik dat Propper naar iets anders op zoek is geweest en bewust de methode van de omweg heeft gekozen.
Voor hem waren Montaigne, Michaux en de anderen in de eerste plaats 'de interessante onbekenden’ met wie hij al schrijvend kennis wilde maken. Een blik op hun werk was voldoende om de nieuwsgierigheid te prikkelen. Het verlangen om deze wereld van niet gekende literatuur te betreden vormt de belangrijkste impuls van de essays. Zo kan men ze ook lezen: niet zozeer als de vrucht van jarenlang onderzoek. De specialisten in het werk van Montaigne of Michaux zullen ongetwijfeld redenen hebben zich te ergeren, ook al heeft Propper blijkens de literatuurlijst achterin de bundel heel wat secundaire literatuur bestudeerd. Ik las de essays als een verslag van de wijze waarop een leergierige lezer zich toegang verschaft tot hun wereld van woorden. Niet voor niets maakt de essayist Propper in zijn opstellen keer op keer de vergelijking met het lezen als een vorm van reizen door onbekende delen van de bibliotheek. De auteurs die hij bespreekt, zien het niet anders. Reizen, lezen en schrijven betekenden voor hen de mogelijkheid in het onbekende zichzelf te leren kennen, of misschien beter nog: zich daardoor toegang te verschaffen tot het onbekende in hen zelf.
Zo toevallig zal de keuze van de auteurs voor Propper nu ook weer niet zijn geweest: in hun werk nam hij de trekken van de essayist waar die hij zelf wil zijn. Uit zijn essays blijkt dat hij in de eerste plaats op zoek is naar de methoden waarmee schrijvers als Montaigne en Pavese de wereld proberen te ontcijferen. Propper gaat bij hen in de leer, hij zoekt de wijsheid van de proefondervindelijke lezer, die gebogen over de bladzijden van zijn boek, zijn ogen gericht houdt op de wereld. Met hen deelt hij het verlangen om het onbekende tot spreken te brengen. Uit hun werk leert hij als eerste les dat daarvoor het vanzelfsprekende tot zwijgen moet worden gebracht. Het kan zijn dat Propper een antwoord heeft proberen te vinden op de vraag wat deze schrijvers in hun werk hebben willen creeren, maar ik kreeg na lezing van de essays de indruk dat hij via hun werk iets anders op het spoor heeft willen komen: de impuls van wat hem zelf als essayerend schrijver drijft.
Om een of andere reden zette ik spontaan een potloodstreepje b!j een citaat van Marguerite Yourcenar, aan wier werk Propper een opstel wijdt. Hij haalt het citaat aan in een passage waarin hij Yourcenars opvatting over de dodelijke armoede van het leven wil illustreren. Yourcenar merkt op: 'Het enarme verschil tussen wat twee beschaafde mensen met elkaar bepraten en het geheime leven der zinnen, klieren en ingewanden, de haeveelheid venwegen zorgen, ervaringen en gedachten heefit mij altijd ten zeerste verbaasd.’ Ik geloof dat deze zelfde verbazing ten grondslag ligt aan alle essays in deze bundel. Ze verkennen wat niet tot de onderwerpen behoort in het verstandige gesprek maar er wel degeljk zijn stempel op drukt.
Keer op keer zoekt (en vindt) Propper in het werk van de door hem besproken auteurs dit thema van de cultuur versus de natuur, van de beschaving versus het zogenaamde primitieve, vanuit verschillende hoeken belicht. Hij leest met gretigheid de passages waar Proust de wellevende omgangsvormen in de kring van Guermantes ironiseert, waarin elke verwijzing naar het aardse, normale leven is weggestileerd in de sierlijke, uiterst verfijnde etiquette. Hij ziet er een kenmerk in van kitsch, waarvan hij enkele stijlkenmerken bespreekt naar aanleiding van het werk van Reve, Brakman en Brouwers. En hij belijdt zijn ambivalentie tegenover het fenomeen: zonder kitsch en het cliche is het sociale leven niet mogelijk. De wellevende omgangsvormen vergemakkelijken het contact met de ander, maar alleen in hun uiterlijkheid. Binnenin woekert het virus van de onwaarachtigheid en valsheid, strijdend met het oprechte verlangen naar toenadering en waarlijk begrip.
De tweeslachtigheid van de illusie die de betrekkingen tussen mensen onderling en de wereld (van hun lichaam) voedt, vormt het spanningsveld dat de essayist bij voortduring opzoekt. In al zijn essays komt dit thema van de illusie van het verhevene en het aardse aan bod. Bij Michaux en Pavese beluistert de schrijver de fluisterende stemmen van het 'geheime leven der zinnen’ in de woorden die ze aan het papier hebben toevertrouwd. Daar wordt het onwelvoegelijk geluid van de ingewanden hoorbaar en net kloppen van de pijn tussen de illusies voelbaar. Daar dringt het besef door dat men zoals Propper in zijn opstel over Montaigne opmerkt - in plaats van het ware te weten, het zou kunnen voelen. Het lezen van Montaigne, die zonder scrupules schrijft over 'de concurrentie tussen eten en praten, schijten en pijn brengt hem op de voor hem verrassende associatie dat ook het lichaam als een essay kan worden gezien, dat andersom zelfs een tijdschrift (zoals Raster) als een gulzig, de literatuur verorberend personage in het oog valt, en dat de boekenverslindende bibliomanie als een lichamelijke ziekte kan worden opgevat. De essayist jaagt in zijn lectuur van de auteurs die hij bespeekt, op beelden en gedachten waarin lichamelijke ervaring de kennisbron vormt, maar meer nog jaagt hij op kennis van het morele dat zich niet bindt aan dogma’s of voorschriften. Heel vaak - bijvoorbeeld in zijn opstel over Gracian - laat Propper zich onderwijzen in wat een pretentieloos, bescheiden leven zou kunnen zijn, dat door de complexiteit van menselijke betrekkingen niet minder dan een opgave is.
Propper schrijft niet zozeer over Montaigne en de anderen, hij laat zich door hen op gedachten brengen. De blik op hun werk is er een van verlangen, koortsig op zoek naar dat nogniet-gedachte dat hij zelf onder woorden zou willen brengen. Tussen de regels van zijn essays door las ik het verlangen zichtbaar krijgen op de niet in het licht tredende maar niettemin verwarring stichtende motieven, die niet alleen een rol spelen in de betrekkingen tussen mensen maar ook in de persoonlijke betrekking tot zichzelf, dat intieme slagveld waar de natuurlijke behoefte aan teugelloosheid strijd levert met het verstand. Tussen de regels las ik een onderzoek naar integriteit in deze betrekkingen. Laverend tussen de dwang van morele dogma’s en de schijnbare onthechtheid van het cynisme. Hoe kan het intieme ter sprake worden gebracht zonder dat het geheim ervan hoeft te worden prijsgegeven? Hoe kan het troebele in het heldere verschijnen?
Misschien vormen al die verkenningen in het werk van Montaigne en anderen niets anders dan een niet aflatende, maar niet direct onder worden gebrachte poging het troebele te aanvaarden zoals het is, het streven naar morele perfectie los te laten zonder het morele uit het oog te verliezen Dat heeft hij in het werk van de auteur, zijn pad kruisten, gezien: zijn eigen verlegen naar beweeglijkheid en lichtheid. Mooie pogingen zijn het, mooie essays, die een andere winst oogsten dan waarop zo hoog was ingezet.