Geheime gangen

De verbeelding heeft het meestal mis. Zo dacht ik dat ik al eens in de gevangeniscel van Giacomo Casanova was geweest. Ik was ooit al door de Brug der Zuchten gelopen, en had het uitzicht vanuit het raampje op de lagune ingezogen met zíjn ogen – het laatste daglicht dat gevangenen als Casanova was gegund.

Niets van waar, ontdek ik, nu ik in Venetië ben met Ad ten Bosch, die Casanova’s memoires eind jaren negentig uitgaf als uitgever van Athenaeum-Polak Van Gennep. ‘Hij ontsnapte toch door het dak? Hij zat in de oude gevangenissen, boven in het Dogenpaleis.’

De piombi: de cellen onder het loden dak, ijskoud in de winter, stervensheet in de zomer. De enige manier om die piombi te bereiken, blijkt je te vermommen als een van de toeristen die een ticket kochten voor de itinerari segreti, en om tien uur ’s ochtends staan te wachten op een gids.

Dat blijkt een klein, propvormig vrouwtje, dat chagrijnig aan komt stampen en een rond rood bord op een stok omhoog steekt.

‘O mijn God…’ Hoofdschuddend kijkt Ad naar de grond. ‘Gaat de trein soms vertrekken? Straks blaast ze op haar fluitje.’

De excursie begint met een reeks ge- en verboden: we moeten allemaal de rode sticker duidelijk zichtbaar op onze kleding dragen, mogen geen foto’s maken, grote tassen opbergen, nergens aankomen, niet eten of drinken, welkom in het Dogenpaleis.

Dat we net zo goed voor de Italiaanse rondleiding hadden kunnen kiezen, blijkt als de mevrouw bij het eerste object (een oude brievenbus) haar verhaal afratelt. Zelfs het native Britse echtpaar verstaat er geen zak van.

Onze gids lijkt pas goed in haar element in de verhoor- annex martelkamer, waar ze illustreert hoe gevangenen met een touw omhoog werden gehesen. Helemaal bovenin waren twee extra gevangeniscellen gebouwd. ‘Ze prisnerse that stayed over zer confesse very quicke, you see. Hm? Not bade, hmm?’

‘Ja ja, schiet nou maar op, mens, ik wil die piombi zien.’

‘And know we arreyeve at the zelle of Gia-co-mo… Ca-sa-no-va…’

De verbeelding heeft het meestal mis. We hadden het ons kleiner voorgesteld, erger. De avond ervoor hadden we de passage nog met wat spumantes erbij doorgenomen. Eerst komt Casanova in een grotere ruimte, die hij voor zijn cel aanziet, maar hij vergist zich, en moet een nog kleiner kamertje in.

In werkelijkheid was de ruimte weliswaar laag (Ad stootte zijn hoofd in de deuropening), maar Casanova kon wat rondlopen, bleek een zitstoel te hebben, kon goed eten van buiten laten komen, kon lezen en schrijven, en maandenlang een gat in de vloer onder z’n bed graven.

Vlak voor het gat klaar was, kreeg hij een nieuwe cel. Misschien maar gelukkig, want anders zou hij dwars door een plafondschildering van Tintoretto in de ondergelegen zaal zijn gegaan.

Maar ook die nieuwe cel heeft niet die horror die de verbeelding ervan heeft gemaakt, leert deze verificatie.

Belangrijke les: de verbeelding van de lezer is altijd geneigd tot overdrijving en groteske inkleuring. Zoals ik me Harry’s Bar altijd groter heb voorgesteld dan die in werkelijkheid is, zo stelde ik me Casanova’s cel kleiner voor.

Bovenin, bij zijn tweede cel, vertelt de gids over zijn ontsnapping. We verstaan er geen zak van, maar dan komt haar conclusie: ‘So, when people say zet he escayepe troe ze roef, you know that is not troe. That is only imagination from the movies.’

Hoho, conducteurtje, dat is niet helemaal correct. Hij ging wel degelijk door het dak naar buiten, maar zag nergens een plek om er weer af te klimmen en tikte daarom een raampje in, en verliet het paleis via de hoofdingang aan het Piazetta.

‘Zet is what eye just zet…’ Haar mond krult depreciërend in haar stoïcijnse kop.

Het valt altijd wat tegen, locaties uit romans in werkelijkheid bezoeken. Dat moeten al die toeristen die met Knielen op een bed violen in hun zak bij een bloemenhaag staan toch ook beseffen. Ik heb ’s avonds eens door Antwerpen gelopen met Elsschot op zak. Ik heb in het tuinhuisje gestaan waar Rimbaud zijn Seizoen in de hel schreef. Ik ben door Oegstgeest gefietst met Jan Wolkers voor ogen, en door Harlingen met Simon Vestdijk in de hand. Al die bezoekjes ontmaskeren en ontmantelen de verbeelding. ‘Geniet van schone strofen maar schuw het hol gezelschap van hun dichters’, beweert Slauerhoff ergens. Zo is het ook met boeken en memoires die een reëel decor hebben. De literaire pelgrimage is gedoemd tot deceptie.