Yvonne Cloetta, In Search of a Beginning: My Life with Graham Greene

Geheimen van Graham Greene

Yvonne Cloetta en (als interviewster) Marie-Françoise Allain

In Search of a Beginning: My Life with Graham Greene

Bloomsbury, 215 blz., £ 16.99

Graham Greene weigerde tv-interviews te geven. Als romancier en waarnemer van de werkelijkheid wenste hij onopvallend te blijven als een vlieg aan de muur, om zijn werk te kunnen doen. Vertegenwoordigers van de schrijvende (en fotograferende) pers kon deze professionele en productieve auteur moeilijk uit de weg gaan, maar zij kregen zelden iets te horen wat niet al eens eerder ten beste was gegeven, bijvoorbeeld in Greenes eigen discrete autobiografische notities: A Sort of Life en Ways of Escape.

De voormalige geheim agent bleef ook op zijn hoede toen hij meewerkte aan een serie interviews met de Franse literaire journaliste Marie-Françoise Allain, zodat het resultaat, uitgewerkt in haar boek The Other Man: Conversations with Graham Greene (1988), het beeld van een complexe en mysterieuze man intact liet. «Ieder van ons bevat verscheidene karakters», liet Greene zijn ondervraagster weten: «Ik bestrijd hen niet, ik aanvaard hen. Om een geïntegreerd persoon te vinden zou men in een krankzinnigengesticht moeten kijken.»

De jongste publicatie van Marie-Fran çoise Allain betreft al weer een verzameling op papier geordende gesprekken. Deze werden gevoerd met Yvonne Cloetta, die gedurende meer dan dertig jaar, tot Greenes dood in 1991, zijn levensgezellin was. Misschien zal het Greenes talloze lezers en bewonderaars genoegen doen te vernemen dat Yvonne Cloetta, een in 2001 overleden landgenote van Allain, uit het boek naar voren treedt als een weinig gecompliceerde maar tevens onconventionele en bonafide persoonlijkheid, die oprecht van de meester heeft gehouden. Toch bestaat de kans dat velen van hen zich ietwat onbehaaglijk voelen bij de lectuur.

Een reden daarvoor is dat menigeen het hier betreden terrein, zeker na de inspanningen van Greenes biografen, bekend zal voorkomen. Alles wordt wel even aangestipt. Allereerst Greenes ongelukkige jeugd als zoon van het hoofd van zijn school (een «Quisling’s Son», gepest door zijn kameraden). Dit leidde tot het schrijverschap als een wraakneming. Er was het uitdagende spel met de dood in partijtjes Russische roulette. Ook later waren er suïcidale momenten, en er was Greenes reislust, bij voorkeur naar de gevaarlijkste uithoeken van de globe. Er wordt bespiegeld over zijn eigenaardige positie als «katholiek agnosticus», zijn hartstochtelijke inzet als verdediger van de mensenrechten, de blijvende vriendschap met de overgelopen spion Kim Philby, de wereldroem. Greenes optreden op het internationale toneel, al dan niet achter de schermen, heeft bijna legendarische dimensies gekregen, zodat men nauwelijks verrast is als men leest hoe Greene in 1983, bij een bezoek aan Cuba, op de vraag van Fidel Castro: «Wel, Graham, wat breng je me voor boodschap?» riposteerde met de woorden: «Ik heb geen boodschap. Ik ben de boodschap.»

Vanaf het begin is duidelijk dat Allain en Cloetta tegenwicht hebben willen bieden aan de aantijgingen die in 1994 zijn gedaan door Michael Shelden in Graham Greene: The Man Within. Dat boek was minder een biografie dan een requisitoir. Shelden schilderde Greene af als hoerenloper, dubbelspion, homoseksueel pedofiel, antisemiet en mogelijk de pleger van een onopgeloste moord in Brighton. Fijntjes verwijst Yvonne Cloetta naar een voorspelling die haar vriend («Gram Grin» voor haar vierjarige dochter) haar eens deed: na zijn dood zou zijn verhaal The Destructors een wederopstanding beleven. In het bewuste verhaal valt te lezen hoe jeugdige criminelen het huis vernielen dat toebehoort aan een oude man, die dit slechts overleeft omdat ze hem op de buiten-wc hebben opgesloten.

Als hartsvriendin van een romanschrijver moest Yvonne diens gezelschap delen met een ongeteld aantal fictieve personages. Het werken aan The Honorary Consul kondigde Greene aan door, zichtbaar ontdaan, op de drempel van haar kamer te verschijnen met de woorden: «Het is een vreselijke gedachte, maar van nu af aan zal ik drie jaar lang met een zekere Charley Fortnum moeten leven.» (Allain spelt ten onrechte Charlie.) Direct daarna keerde hij terug naar zijn werkvertrek.

Gedurende zijn lange schrijversleven verkeerde Graham Greene dag in, dag uit met zijn sujetten, met Charley Fortnum, of met Harry Lime uit The Third Man, of met de naamloze «whiskypriester» van The Power and the Glory en met al die anderen. Hij bracht die hele stoet tot leven met de middelen van zijn verbeeldingskracht en werd vervolgens gedomineerd door zijn scheppingen doordat die alinea’s eisten, dialogen, plotwendingen. De concentratie waarmee Greene zijn personages waarnam in hun reacties op de beproevingen die hij voor ze bedacht, bezorgde hem tijdens een schrijfzitting waterige ogen. Die ogen, onrustbarend blauw, kon hij naar keuze hard en fel of juist heel wazig zetten. Ze waren deel van Greenes wapenrusting in zijn confrontaties met de werkelijkheid van alledag, net als zijn beleefde afstandelijkheid en zijn grijze pakken van solide Britse makelij. Maar het is toch vooral doordat hij de verschillende karakters in zijn «ongeïntegreerde» persoon verwelkomde en aanvaardde (zie zijn bovengeciteerde woorden uit The Other Man) dat Graham Greene de ondoorgrondelijke persoonlijkheid is geworden die hij was: de geheimzinnige derde man of tiende man of «andere man».

In Search of a Beginning bevat interessante details over een schrijversleven, in dit geval een leven dat op een bijna dwangmatige manier in het teken van het werk heeft gestaan. Schrijven was voor Greene een innerlijke noodzaak, bovenal — hij heeft het vaak gezegd — een middel om aan de verveling te ontsnappen. Maar waar het natuurlijk om gaat, dat zijn de vruchten van die onweerstaanbare drang: het oeuvre, ook voor ons een therapie tegen de verveling.