Gehersenspoelde poppen

Wanneer een personage met het einde der tijden wordt geconfronteerd, wat in het laatste decennium wekelijks in de populaire cinema het geval is, vergen de conventies dat hij of zij zich als een held gedraagt. Het kwaad moet worden bestreden om de collectieve angst bij de kijkers te bezweren. Wie hier géén boodschap aan heeft, is Gary King (Simon Pegg) in The World’s End. Zuiplap. Mislukkeling.

Medium film high

Heimelijk droomt hij erover de incarnatie van ‘the once and future king’ te zijn, de mythische koning Arthur. Maar wanneer Gary samen met zijn jeugdvrienden tijdens een pub crawl in het gehucht waar ze opgroeiden oog in oog komt te staan met apocalyptische krachten is nobiliteit bij hem ver te zoeken. Hij reageert als de yob die hij misschien ten diepste is. Tegen de invallende macht, een soort leger van automata, zegt hij: ‘Get into your rocket and fuck-off back to Legoland!’

Zelden, zeer zelden heb ik zo gelachen bij een film. Edgar Wrights meesterlijke The World’s End is dan ook zonder enige twijfel de comedy van het jaar. Het is een unieke film – Wrights beste tot nu toe. En het kleine oeuvre van deze Engelsman bevat alleen maar juweeltjes: Shaun of the Dead (2004), Hot Fuzz (2007) en Scott Pilgrim (2010). In al deze films komen gewone mensen in situaties terecht die traditioneel het domein van genrecinema is: verhalen met zombies en seriemoordenaars. Maar Wright en zijn schrijfpartner Pegg laten hun personages bijna in extremis als gewone mensen reageren. Zo confronteren ze de kijker met de vraag: wat zou jij doen als blijkt dat vreemde wezens je stamkroeg, je hele dorp, hebben overgenomen? King en zijn vrienden, waaronder de dikke, bebrilde Andy (Nick Frost), ontdekken geen tot nu toe onvermoede capaciteiten in zichzelf die hen ertoe in staat stellen heldendaden te verrichten als gewone mensen in ongewone situaties. In The World’s End worden ze alleen maar met de neus op de feiten gedrukt: ze zijn en blijven arme sloebers met mislukte levens: midlifecrises, onderdrukte verlangens, burgerlijke huizen vol kinderen en zure echtgenoten. En nu ook nog, uitgerekend op een avondje uit met de boys, horden gehersenspoelde poppen die er van buiten uitzien als doodnormale dorpelingen.

Het bloed van deze poppen, die zich gedragen als de ontzielde mensen in het klassieke verhaal Invasion of the Body Snatchers, specifiek Philip Kaufmans maatschappijkritische, jaren-zeventigverfilming ervan, is blauw. Dat bevat de kern van Wrights film: zijn werk is een aanklacht tegen de verstikkende, burgerlijke moraal die in het huidige Engeland tot een dictatuur van politieke correctheid heeft geleid, tenminste in de ogen van velen die vinden dat menselijkheid daardoor in het gedrang komt. Op dit punt: wie recent in Engeland is geweest moet de betutteling van overheidswege, vooral op lokaal niveau, aan den lijve hebben ondervonden. Voorbeeld: bezoekers van een van de mooiste parken van Londen lopen tegen een waarschuwingsbord aan met daarop de tekst: ‘Nat gras. Blijf op de paden.’

Tegen deze mentaliteit vechten Gary en Andy en hun vrienden in het stadje waar iedereen dus in de ban van die vreemde macht is. Tegen dorpelingen die zich als robots gedragen, gehersenspoeld als in het Engeland van George Orwell, waar de mens plaatsmaakt voor een vaag idee van ‘vooruitgang’. Dat haat Gary, romanticus. Hij verlangt naar een vroeger Engeland waarin kameraadschap en goed gezelschap (‘I had another date that night, and her name was… Amber’) nog mogelijk waren. Natuurlijk pleegt hij verzet. Niet voor niets heet hij ‘King’. En verschijnt hij als de wereld dan toch is geëindigd met Excalibur.

Te zien vanaf 14 november


Beeld: Universal Pictures International