Profiel: Imre Kertész

Geheugen van Hongarije

Heeft de Hongaarse literatuur met Imre Kertész zijn eerste Nobelprijswinnaar binnengehaald? Als dat waar zou zijn, waarom is Kertész (1929) dan zo goed als onbekend in zijn geboorteland? Zijn debuut Onbepaald door het lot (1975) mocht wel enige weken in de Hongaarse boekhandels liggen, om daarna geruisloos in de ramsj te verdwijnen, maar de roman werd doodgezwegen. De reden: de manier waarop Kertész over Auschwitz schreef, streek tegen de haren in van het nieuwe, naar antisemitisme neigende totalitaire denken in Hongarije, ook na 1956. De holocaust was geen belangrijk thema in het naoorlogse intellectuele debat. Hongarije zag en ziet zichzelf liever niet als antisemitische dader of collaborateur van het Hitler-regime maar eerder als slachtoffer van de geschiedenis van de twintigste eeuw, de eeuw die door Kertész — Auschwitz- en Buchenwald-overlevende — in zijn even meesterlijke als pijnlijke monoloog Kaddisj voor een niet geboren kind (1990) als «dat onophoudelijk dienstdoende executiepeloton» is omschreven.

Binnen Hongarije heeft Kertész tientallen jaren lang geïsoleerd geleefd. Hij hoorde nergens bij, zelfs niet bij de talloze dissidentenbewegingen. Hij was dan wel lid van de schrijversvakbond, kort na de val van het communisme in 1989 is hij uit de bond getreden uit protest tegen antisemitische opmerkingen van de vice-voorzitter. In Kaddisj voor een niet geboren kind stelt Kertész’ alterego het Hongaarse literaire leven voor als «een beschamend en vernederend bedrijf dat op uitsluitingen, privileges, voorliefdes, vooroordelen en in het geniep gehanteerde ambtelijke en commerciële zwarte lijsten berust, steeds wantrouwend tegenover kwaliteit staat, grof dilettantisme zalvend als genialiteit vereert…»

Kertész schrijft spottend over de liquidatie van «mijn smadelijke status van succesvol schrijver in Hongarije». Hij wil zichzelf geen Hongaar of jood noemen. In het recente Ik, de ander — waarin hij somber terugblikt op tien jaar «verlossing» van het communisme — blijkt hij een buitenstaander wiens enige vaderland de taal blijft. Geëerd in vele Europese hoofdsteden met prachtige literaire prijzen koestert hij zijn pariapositie, zijn «existentiële verstrooiing» en zijn status van verstotene. Kertész blijft compromisloos, tot in zijn literaire stijl. De monomane monoloog Kaddisj voor een niet geboren kind — waarin een man aan zijn nooit geboren, want niet gewilde, kind uitlegt hoe Auschwitz hem heeft getekend — is een hoogtepunt van Kertész’ verbale virtuositeit.

Met de toekenning van de Nobelprijs aan Imre Kertész is niet automatisch de gehele Hongaarse literatuur gelauwerd maar, integendeel, een ánder soort literatuur, zo indringend beschreven in Sem Dresdens Vervolging, vernietiging, literatuur (1991): die van onder anderen Primo Levi, Elie Wiesel, Danilo Kis, G.L. Durlacher, Robert Antelme, Tadeusz Borowski, Alexandar Tisma en Abel Herzberg. Ook zij hebben zich niet neergelegd bij de zin «Auschwitz is niet te verklaren». In Kaddisj voor een niet geboren kind wordt die uitspraak als onzin betiteld. Auschwitz heeft bestaan, hing al heel lang in de lucht, bestaat nog steeds en kan dus worden verklaard. Maar hoe? «Volgens mij moeten we de verklaring in de individuele levens zoeken, daar en nergens anders is zij te vinden. Auschwitz is volgens mij de afspiegeling en de daad van de afzonderlijke levens, beschouwd in het licht van een zekere georganiseerdheid.»

Voor Imre Kertész — privé-overlevende van Auschwitz-Birkenau — is schrijven zowel noodzaak, vlucht als redmiddel «om mijn geestelijke wereld te redden». Zijn balpen is zijn spade, de aard van zijn schrijfwerk is graven, «het verder graven aan een graf in de hemel».

Teruggekeerd uit Auschwitz en Birkenau wordt Kertész journalist en partijlid. Maar de stalinistische ideologie is aan hem niet besteed. Hij trekt zich terug uit de maatschappij. Hij leeft 35 jaar op een piepklein flatje in Boedapest, in een straatje ingeklemd tussen twee drukke verkeersaders. Zijn vrouw werkt, hij schrijft, in een drukkend isolement. Het jaar 1989 is niet echt een bevrijding voor hem. In 1995 sterft zijn vrouw. Hij hertrouwt. Zijn literaire kwaliteiten worden in Amsterdam, Berlijn en andere steden zeer gewaardeerd. In Boedapest blijft het akelig stil.

In een interview heeft Imre Kertész eens gezegd dat Hongarije een trauma aan de Eerste Wereldoorlog heeft overgehouden, toen het, met Duitsland, tot de verliezers behoorde. Dat trauma zorgde ervoor dat Hongarije in de Tweede Wereldoorlog eveneens tot de daders ging behoren. Het is die historische rol van Hongarije, met alle gevolgen van dien voor de zevenhonderdduizend Hongaarse joden, die nog steeds niet in de volle openbaarheid wordt bediscussieerd.

Wat hield dat trauma — waarvoor Kertész en vele honderdduizenden moesten bloeden of waarvoor ze de gaskamers werden ingejaagd — nu in? De Vrede van Trianon in 1920 zorgde ervoor dat Hongarije — eens onderdeel van de machtige Habsburgse monarchie — tweederde van zijn grond gebied kwijtraakte. Admiraal Nikolaus Horthy streefde in de jaren dertig naar drastische verschuiving van de Hongaarse grenzen en sloot zich aan bij de expansiedrift van het fascistische Italië en nazi-Duitsland. Maar toen Hitler er in 1944 lucht van kreeg dat Horthy, die de nederlaag van de As-mogendheden aan zag komen, uit opportunistische redenen een afzonderlijke vrede wilde afsluiten met de westelijke geallieerden en met de Sovjet-Unie, betekende dat het begin van het einde van het Hongaarse Horthy-tijdperk. Op 12 februari 1944 schreef Horthy een brief aan Hitler waarin hij de terugkeer eiste van negen Hongaarse divisies die aan het oostfront vochten. Hij had die zogenaamd nodig om de Karpatische kust tegen het oprukkende sovjetleger te verdedigen. Hitler vond toch al dat de Hongaarse divisies bij Stalingrad weinig voor elkaar hadden gebracht. Hij besefte dat Hongarije van twee walletjes wilde eten. Horthy had Hongarije uit de oorlog willen halen; Hitler meende dat de Hongaarse joden als vijfde colonne opereerden, iets waar Horthy niets aan deed. Daarom, en om de broodnodige grondstoffen, bezette Hitler op 18 en 19 maart 1944 Hongarije en installeerde hij een marionetten regering in Boedapest.

In het kielzog van het Duitse bezettingsleger bevonden zich Eichmanns troepen. Binnen een paar dagen pakte de gewillig meewerkende Hongaarse politie duizenden joden op. De eerste treinen naar Auschwitz begonnen al in april 1944 te rijden. Een van de passagiers in de veewagens was de vijftien jarige Imre Kertész.

Begin juni waren er maar liefst driehonderdduizend joden uit Pest en elders naar hun dood getransporteerd. In juli, toen er exact 437.402 Hongaarse joden naar de gaskamers waren gestuurd (zie Ian Kershaws biografie Hitler, Nemesis 1936-1945), liet Horthy de transporten stoppen. Een paar maanden later, toen de sovjettroepen al tot op de Hongaarse poesta’s waren doorgedrongen, probeerde admiraal Horthy andermaal zijn land uit de oorlog te halen. Op 15 oktober zei hij voor de radio dat Hongarije zich uit het Duitse kamp zou terugtrekken en een wapenstilstand met de Sovjet-Unie zou sluiten. Hitler echter liet Horthy’s zoon kidnappen, chanteerde zo de admiraal en liet de fascisten van Ferencz Szalasi aan de macht komen. De tweede jodenvervolging begon. Maar Himmler liet de Endlösungs-activiteiten al afbouwen. Tienduizenden joden uit het getto van Pest werden vanaf half oktober als dwangarbeiders in dodelijke marsen naar de ondergrondse fabrieken voor de V2-raketten gedreven. De begeleidende Hongaarse politie ging zo tekeer dat zelfs de fascist Szalasi, die voor zijn eigen hachje vreesde, het te bar vond worden en de ronselpraktijken halverwege november 1944 afblies. Toen de Russen op 11 februari 1945 Boedapest bevrijdden, lagen er duizenden dode joden in de straten, omgebracht door Hongaarse fascisten.

Ik ga zo uitgebreid in op deze beschamende episode omdat zelfs in Hongarije zelf die historische gebeurtenissen niet in het nationaal bewustzijn zijn geworteld, maar eerder stelselmatig worden verdrongen. Kertész’ boeken proberen een wig te drijven in die opzettelijke vergeetachtigheid.

In zijn romans vindt de lezer geen gemakkelijke zwart-witverhalen over schuld en onschuld. Hij weigert als een naïeve idioot aan «de algemene overlevingssentimenten en het zelfvoldane gebral» (Kaddisj voor een niet geboren kind) mee te doen. De mens is altijd een beetje schuldig. Dader en slachtoffer staan in het totalitarisme allebei «op de meest totale wijze in dienst van dezelfde zaak, de zaak van het Niets…»

Kertész weigert pertinent geloof te hechten aan «het lot» waaraan niet te tornen zou zijn. Het is niet waar dat alles komt zoals het komt, of dat nu het paradijs is of de hel op aarde. Nee, niemand wordt bepaald door het noodlot. Iedereen kan, op een beslissend moment, een stap nemen waardoor het lot wordt gepareerd en de geschiedenis een ándere wending neemt wég van de gaskamers. In Onbepaald door het lot, waarin een vijftienjarige jongen zich relatief opgewekt naar Auschwitz en Birkenau laat vervoeren, durft Kertész de dodelijke procedures in Auschwitz — het wachten in de rij, de douches — zelfs te beschrijven als «een grap of studentenstreek», als iets dat zowel gruwelijk is als een macabere mop.

Halverwege 1945 teruggekeerd in Boedapest, als zestienjarige jongen, beseft de hoofdpersoon uit Onbepaald door het lot — die op onbegrip stuit — dat hij er geen genoegen mee kan nemen dat alles alleen maar een vergissing was, «een blind toeval, een uitglijder van de geschiedenis of — erger nog — iets wat vergeten moet worden».

Hongarije mag dan veel hebben verdrongen van zijn eigen heikele historie, wie Imre Kertész leest kán niet meer vergeten. Dankzij de toekenning van de Nobelprijs heeft deze literaire buitenstaander toch nog het laatste woord.