Geheugenspel

Langzamerhand raken we overstelpt met kunst. Onze dwang tot conserveren, archiveren en documenteren leidt tot een almaar groeiende hoeveelheid boeken, schilderijen, films en beeldende kunst. De depots van musea barsten uit hun voegen. Een steeds groter aandeel van het kunstbudget wordt besteed aan artistieke ‘monumentenzorg’: het in conditie houden van onze kunstschatten.

In geen enkele kunstdiscipline wordt het zo bont gemaakt als in de muziek. Niet alleen is alles verkrijgbaar op cd - van de kleinste scheet van een negentiende-eeuwse castraat tot het wiegeliedje van een eskimo in Alaska - en blijft het speuren naar onbekend en miskend werk onverminderd doorgaan, ook wordt die hele muziekgeschiedenis uitentreuren herkauwd in ‘nieuwe’ muziek.
De opkomst van de sampler heeft de muziekgeschiedenis in technisch opzicht ontsloten en daar wordt door veel muzikanten dankbaar gebruik van gemaakt. Of door fragmentjes uit bestaande muziek te plukken, of door zelf geluiden op te nemen. Overigens is dat niets nieuws: de musique concrète uit de jaren vijftig (met Pierre Schaeffer en Pierre Henry als belangrijkste boegbeelden) was eveneens gebaseerd op zelfopgenomen klanken uit het dagelijks leven. Deze moesten echter zeer arbeidsintensief verwerkt worden: met schaar en lijmpot. De huidige apparatuur maakt mogelijk dat iedereen een stukje in elkaar flanst. Het enige waar het op aankomt is een acceptabele dosis muzikaliteit.
Het fenomeen samplen werd aanvankelijk sceptisch bekeken. Het zou makkelijk, gemakzuchtig en fantasieloos zijn. Een postmoderne goocheltruc: muziek met een leuk buitenkantje, maar volkomen inhoudsloos. Die kritiek is zo goed als verstomd. Terecht, want samplen is niet af te doen als een oppervlakkig verschijnsel. In de meest positieve zin zou je kunnen zeggen dat het juist getuigt van een sterk historisch bewustzijn en een manier om actief met het verleden bezig te zijn.
Een muzikant als de Newyorkse dj Paul D. Miller (alias DJ Spooky) meent dat samplen in wezen een geheugenspel is. Of de samples zijn herkenbaar en roepen herinneringen en associaties op of ze zijn niet direct te traceren en dagen de luisteraar uit. Verder ziet Miller sampling als een (onvermijdelijke) metafoor voor onze tijd: onze kennis van en toegang tot het verleden en tot andere culturen is zo groot dat syncretisme het enig passende antwoord is.
Onlangs verscheen de sample-cd Friedrich’s Recyclopedia, waar Cor Gout een tekst bij schreef. Hij vertelt over zijn aanvankelijke weerzin tegen nog meer 'fake’, 'replica’ en 'virtuality’, tegen een cultuur waarin 'covers van imitaties’ worden gemaakt. Maar ten slotte geeft hij toe dat er 'voor diegenen die de muziekgeschiedenis niet als een vaststaand geheel zien een kans is deze opnieuw te beleven, zich eraan over te geven en haar te herschrijven als een veelheid van ervaringen, als een geschiedenis van mogelijkheden’.
Helaas is de muziek op Recyclopedia niet zo poëtisch als deze observaties. Hoewel het fascinerend is hoe Frans Friedrich muzikale patronen weeft met pakweg een paar maten klassieke cello, een jazzlick op trompet, een paar seconden Afrikaanse muziek, een klingelend belletje en een industriële brom, is het resultaat niet echt flitsend. Debet daaraan is het overmatige gebruik van loopjes (repeterende fragmentjes) die een hoge mate van voorspelbaarheid in de hand werken. Dat neemt niet weg dat er mooie fragmenten, spannende klankcombinaties en grappige contrasten in voorkomen. Maar bovenal is Recyclopedia een statement.