Commentaar: Boonstra

Geheugenstoornissen op cruciaal moment

Het menselijk brein is een valkuil. Iedereen ervaart dat wel eens: ik weet zeker dat ik mijn sleutels daar heb neergelegd, maar na lang zoeken blijken ze op een andere plek te liggen. Gaat het om minder onschuldige zaken, dan kan het oproepen van herinneringen doorslaggevend zijn bij het toekennen van schuld. Een treffend voorbeeld is de strafzaak tegen de Oekraïense nazibeul Demjanjuk. «Iwan de Verschrikkelijke» van Treblinka werd uiteindelijk vrijgesproken nadat de Nederlandse gedragspsycholoog Wagenaar wist aan te tonen dat verklaringen van ooggetuigen zo’n veertig jaar na dato niet meer betrouwbaar konden zijn.
Geheugenverlies wordt ook bewust gebruikt door daders van onrechtmatig handelen die zichzelf hopen vrij te pleiten. Dit werkt met name bij praktijken van fraude, verduistering, omkoperij en andere witteboordencriminaliteit. Telkens valt in parlementaire enquêtes en rechtszaken te horen hoe mensen zich beroepen op het geheugen dat hen op een cru ciaal moment «even in de steek laat». De zin «ik kan het me opeens niet meer precies her inneren» dreef al vele rechters tot wanhoop.
Hoe bont sommige captains of industry het maken, laat de rechtszaak zien die nu loopt tegen voormalig Philips-topman Cor Boonstra. Hij staat terecht wegens handelen in voorkennis via zijn toenmalige geliefde Sylvia Tóth bij de koop en verkoop van een aandelenpakket Endemol. Nu hij met de billen bloot moet, rammelt het vanzelfsprekend in zijn bovenkamer.
Maar nu komt het: hij kan het ook niet helpen. Zijn advocaat Joost Italianer deelde de rechter-commissaris mee dat Boonstra alleen nog maar vragen beantwoordt rondom «nieuwe» feiten. De grote tijdspanne (drie jaar) zou tot die stap nopen, want «de kans op vermenging van herinnering en reconstructie wordt hem te groot». De advocaat lichtte zijn ervaringsdeskundigheid aldus toe: «Boonstra is echt niet dom, simpel van geest of ongeletterd, maar hij is zich vaak niet bewust van de lading die taal kan hebben.» Italianer voegde eraan toe dat hij dat wel vaker ziet bij zijn cliënten die uit de top van het bedrijfsleven komen. «Ze willen geen ‹nee› verkopen, maar dat wil niet zeggen dat ze dingen uit hun duim zuigen, maar wel dat analyse, herinnering en reconstructie door elkaar heen lopen.»
Ongetwijfeld meent hij hiermee zijn cliënt te helpen. Maar dat maakt het er juist erger op. Hij beschrijft onbedoeld een psychiatrisch ziektebeeld: fictie niet kunnen onderscheiden van feiten, een eigen werkelijkheid scheppen, en dat in combinatie met een niet te bevredigen drang tot almaar méér. De zoon van een melkboer die opklom tot rijk bedrijfsleider en soepel met aandelenpakketten schoof (achthonderd transacties per jaar) voelt zich diep gekrenkt. Het is allemaal niet eerlijk!
Inderdaad, net als veel van zijn collega’s heeft hij in de nadagen van de new economy-beurskoorts zijn hand overspeeld. Zijn pech was dat hij zijn tandenborstel deelde met een commissaris van een bedrijf waarmee hij speculeerde. Het is nu aan de rechter om pathologische geheugenselectie in dienst van een gewenst doel te beoordelen.