Geheugenverlies

Mijn moeder is oud en vaak ziek. Dat laatste beseft ze incidenteel. Beseft ze het niet, dan is dat meegenomen want alleen het moment van welbehagen telt. Bovendien heeft ze het gevoel dat een makke die al maanden duurt de dag zelve is begonnen en zorgen maakt ze zich er niet over. Anderzijds stemt verminderend geheugen soms somber. Haar en ons. Geheugenverlies stelt eisen aan het geduld van de omgeving. Die kan, afhankelijk van karakter en inlevingsvermogen, daarop ingespeeld raken. Het is wennen om een conversatie zes keer te herhalen. Calculeer je het in, dan word je beloond. Niet alleen in prettige stemming maar ook in volstrekt onverwachte scherpte van inzicht en geheugen.

Ik heb het niet over alzheimer - daar weet ik alleen van door Ireen van Ditshuyzen; niet over verzwakking van onthouden door de jaren - daar weet ik alles van sinds ik van m'n dochtertje verloor met Memory en toen was ik nog een jonge god qua geheugen - maar over de gevolgen van een tikje in de hersens. Verdrietig stemt het even wanneer je het soort herinnering ophaalt dat behoort tot de canon van de familiegeschiedenis, dat meestal prettig van aard is (waarom zou je de sores ter sprake brengen), en dat geen enkele herkenning oplevert. Je beseft hoe ongelooflijk stom het is dat je die canon nooit hebt opgeschreven en meer nog dat je nooit met de cassetterecorder de bronnen hebt geraadpleegd voor ze droogvielen.
Over ziekte is m'n moeder als bron overigens altijd onbetrouwbaar geweest: grandioos vermogen het onaangename te verdringen, samengevat in: ‘Wij (!) zijn toch nooit ziek?’ M'n vader maaglijder geveld door hartinfarct, zijzelf diabeet en wat niet al meer - maar nooit zijn 'wij’ ziek. Dacht ik dat dit 'vermogen’ uniek was, hoor ik van een man die in vergaand stadium van MS bij een koutje bloedserieus zei: 'Gek, mij mankeert nooit wat.’ Wat doe je in zo'n geval? Lachen. We lachen dus wat af. Systeem lijkt er niet te zitten in het onvermogen. Zo kan er nog lustig gescrabbled worden. Een zegen omdat het haar favoriete bezigheid is, het 'visite-zitgevoel’ erdoor wordt beperkt en de conversatie organisch kabbelt. Maar laatst was ze daarvoor te ziek. Restte slechts de 5 Uur-show waarbij ze, dacht ik, sliep. Zegt een man, die in een boekje Hollanders verklaart aan buitenlanders, dat de vreemdeling moet weten dat hij na vijven de deur uit wordt gekeken. Geeft de dommelaarster, tot mijn verbazing, antwoord: 'Bij ons kon iedereen mee-eten.’ Wat ik kon bevestigen. Zoals ook iedere bode van zieken- of dooienfonds koffie kreeg en ze de straatveger een sinaasappel bracht omdat hij geen koffie lustte.
'Ze gaven het aan elkaar door, hoor, de bedelaars.’ Is m'n moeder aan het delireren? 'Maar mam, wij hadden toch geen bedelaars?’ Blijkt de herinnering niet op Amsterdam-West 1950 te slaan, maar op Weimar 1918. Nooit eerder gehoord. 'Maar jullie waren toch arm?’
'Ja, maar anderen waren nog armer. Dat was een goeie gewoonte van m'n moeder.’ Voor het eerst ben ik Viola Holt en RTL4 dankbaar.