Alexandar Tisma

Gehoorzaam vlees

De boeken van Alexandar Tisma worden bevolkt door ‘menselijk afval’. Zo ook ‘Die wij liefhebben’, waarin eveneens een meedogenloos beeld van het prille titoïsme op de Balkan wordt geschetst.


HET OUDE JAREN-tachtig-communisme à la Slobodan Milosevic heeft in het laatste decennium van de twintigste eeuw zijn ware gedaante getoond: een fascistoïde staat die het talent van het fascisme ontbeerde om de treinen op tijd te laten lopen. De verdeelde Servische oppositie blijft schietschijf en wringt zich in allerlei bochten om te kunnen overleven, om niet uitgerangeerd te worden. Tegen die achtergrond is het niet verwonderlijk dat Robert Kaplan in zijn standaardwerk Balkanschimmen (1993), toen de bloedigste botsingen en ergste burgeroorlogen nog in het verschiet lagen, dit opschreef: ‘De drang tot overleven op de Balkan laat weinig ruimte voor morele keuzen.’ Toen hij die zin noteerde, eind jaren tachtig, achtte zijn Amerikaanse krantenredactie dat schromelijk overdreven. Het boek waaraan hij schreef, nu een invloedrijke bestseller, vond aanvankelijk geen uitgever. Het is gelopen zoals Kaplan voorspelde. En na de massale volksverhuizingen van Albanese Kosovaren en Serviërs en de weinig overtuigende Navo-’bezetting’ van Kosovo (de euro zal er helaas eerder zijn dan een geoefende Europese vredesmacht die de etnische verdeel- en heerspolitiek op de Balkan effectief kan weerstaan — wat tekenend is voor de politiek-economische mentaliteit op dit continent) overweegt Milosevic een militaire overval op het dissidente Montenegro, dat nog steeds federatief met Servië verbonden is en ten tijde van de Navo-bombardementen schoorvoetend onderdak verleende aan Kosovo-vluchtelingen. De vrede in ex-Joegoslavië is slechts tijdelijk veilig. Tijdelijk veilig op een verscheurde Balkan waar het menselijk lichaam sluitpost op elke politieke begroting is — dat is een omschrijving die past op alle romans van Alexandar Tisma. ‘Het lichaam is een wonderlijk apparaat. Maar het is niet in staat de beelden in je hersenwindingen te absorberen.’ Dat staat in De kapo (1987), een meesterlijke daderroman waarin een jood van Hongaarse komaf, Vilko Lamian, op een dag wordt overvallen door zijn troebele kampverleden dat hij, schuldige overlevende vol zelfhaat, voorgoed van zich afgeschud dacht te hebben.


Tisma, zoon van een joods-Hongaarse moeder en een Servische koopman uit de bergen, belichaamt de burgeroorlog op de Balkan. ‘Ik heb geen natie’, zei hij eens in een interview. Ook hij, jarenlang balling in Frankrijk en nu weer teruggekeerd naar zijn geboortestad Novi Sad, is hopeloos verscheurd. En Novi Sad, het stadje in Vojvodina waarvan in 1999 de bruggen door de Navo kapot werden gebombardeerd? In zijn roman Het gebruik van de mens (1976), een amalgaam van etnische vermenging en religies, omschrijft hij het als het ‘vraatzuchtige, boosaardig loerende Novi Sad’. Het stadje aan de Donau van alle slachtingen en bloedbaden aangericht door nazi-Duitsland en handlanger Hongarije. Tisma’s personages zijn gebruiksvoorwerpen, onderworpenen aan lot, toeval en overlevingsinstinct. Niet hun overtuiging telt, alleen de wet van de oorlogsmachine, de terreur van de etnische politiek van bloed en bodem. Toch noemt Tisma zich geen dissident, man van de daad of oproerkraaier. Hij neemt, als schrijver, waar met een glasheldere blik. Hij heeft oog voor de wankelbare identiteit van zijn personages. Hij kiest steeds voor verrassende, wisselende perspectieven die een lappendeken van noodlottige levenslopen opleveren. Bovendien bant hij elk moraliserend commentaar uit, waardoor zijn verhalen des te verontrustender worden. Tisma classificeert en catalogiseert als een bewogen boekhouder van de taal, waarop hij al zijn zinnen heeft gezet: ‘De wereld is immers zelf een lege ruimte, woestenij, kou, verlatenheid, onbegrip, niet geaccepteerd zijn, nergens je eigen gootje hebben. Vandaar die kunstmatige gootjes, die woorden die stuk voor stuk naar de wortels boren, naar het verleden, naar gewoonten en gebruiken, naar intimiteit’ (Argwaan en vertrouwen, 1983).


In het titelverhaal van de bundel De school der goddeloosheid (1981) weten Tisma’s schijnbaar objectieve taalgebruik en zijn bewust onbewogen toon de lezer te overrompelen. Hij moet wel sympathie gaan koesteren voor een onderinspecteur bij de contraspionagedienst van Hongaarse komaf (‘Zowel zijn maatschappelijke keuze als zijn Hongaarse nationaliteit waren eigenlijk wankel’), een beul die, gekweld door de gedachte dat zijn zoontje kan doodgaan aan een infectieziekte, een gevangene doodmartelt. Wie de lezer zo medeplichtig maakt met een toegewijd lid van de collaborerende Volkswacht (in 1941 vielen Duitsland en Hongarije de Vojvodina binnen, Novi Sad werd een ‘Hongaarse Vrije Koningsstad’ en de Volkswacht hielp de bezetters bij de bloedige onderdrukking van politieke dwarsliggers, Slaven, joden en zigeuners) is een meesterverteller.



IN DE RECENT verschenen vertaling Die wij liefhebben (1990) is het naoorlogse Novi Sad rond 1950 de achtergrond voor de typische Tisma-overlevingskunstenaars, deze keer voornamelijk vrouwen die in de maatschappelijke marge als koppelaarster, hoerenmadam of pragmatische prostituee bijverdienen omdat de samenleving — die van de coöperatieve Tito-gedachte — geen financieel soelaas biedt. Het is een verhaal over een schaduwwereld van menselijke driften die wel bestaat en officieel niet wordt erkend maar ook niet systematisch bestreden. Dankzij een mozaïek van vertelperspectieven (vanuit koppelaarsters Paula en Katarina en vanuit wanhopige en gewillige meisjes en vrouwen als Beba, Emira en Kaja) schept Tisma een netwerk van onderlinge afhankelijkheid, vrouwelijke rivaliteit en saamhorigheid én een meedogenloos beeld van het prille titoïsme. Die maatschappijvorm was ideologisch gezien al failliet voordat hij gestalte kon krijgen.


Het plaatselijk taalgebruik onthult de waarheid. ‘In Novi Sad heet de rommelmarkt niet vlooienmarkt maar nylonmarkt, want het is een verworvenheid van de nieuwste tijd, net als die kunstvezel; de stimulans om deze markt op te zetten is gekomen met de pakketten uit Amerika, die in de jaren van naoorlogs gebrek op de adressen van hier woonachtige verwanten aankwamen en in plaats van geld en met het doel die te gelde te maken.’ Maar die verleidelijke welvaartsstroom is opgedroogd en de vrouwen moeten zich in allerlei vindingrijke bochten wringen om het hoofd boven water te houden. Hun mannen zijn dood, oud, alcoholisch of twistziek; er zit niets anders op dan hun pensioentjes in te pikken, hen te negeren, weg te lopen of ontrouw te zijn. De vrouwen transformeren hun keukens, zijkamertjes en bedsteden tot peesruimten waarin ze zich roekeloos in omhelzingen storten. Hun huizen dienen te worden aangepast aan de lucratieve handel in lust, want vijf minuten pseudo-liefde levert meer op dan de hele dag koken en strijken. ‘Dat thuis is even onhandig en ongemakkelijk als de eigenares.’ Tisma schetst een wrang-aandoenlijk beeld van de wijze waarop koppelaarsters azen op huizen die geschikt zijn als hoerenkast en waarop de beschikbare vrouwen hun interieur geschikt maken voor hun onontbeerlijke bijverdiensten: ‘dit paradijs van een vergankelijk zelfvergeten’ of een ‘nest van immoraliteit’ (volgens de politie).


Wie per se hoofdpersonages in Die wij liefhebben wil aanwijzen, komt bij Devic en Emina terecht. Devic is een van de twee mannen (de andere is horlogemaker Spiler) die een eigen vertelperspectief in het verhaal krijgt. Hij is een redelijk succesvolle, getrouwde zakenman die voortdurend op zoek is naar een ‘voorwerp van zijn verlangen’. De jonge Bosnische Emina, die al een spoor van verbroken relaties achter zich aan sleept, wordt niet zozeer verliefd op hem maar op zijn huis. Zij is de vleesgeworden ‘berekenende overgave’, een meisje dat van jan en alleman is, wat Devic ontlast van verantwoordelijkheden ‘waarvan hij zich pas bewust wordt nu hij ze heeft afgeworpen, zonder dat hij ze helemaal op zich had genomen’. Emina, droomster met reebruine ogen en daarom een gemakkelijke prooi van ‘dromerige prikkels’ is een zeer gewillig slachtoffer voor iedereen die baat bij haar kan hebben. ‘Zij werd geen ree maar een schaap in de kudde der verschrikten…’ Ze slaat op de vlucht, terug naar haar moeder in Bosnië, bang voor gevangenisstraf. Desondanks doet Devic pogingen haar te redden, maar ook hij blijft haar zien als een pop, ‘die echter geen voorwerp is, zoals andere poppen, maar levend vlees…’ Die pop in haar breekt en versmelt tot ‘gehoorzaam vlees’ in zijn handen. Tederheid en grofheid gaan hand in hand.


Emina hoort tot het typische ‘menselijke afval’ dat de boeken van Tisma bevolkt. In hun overlevingsdrift worden ze gewillig vlees of kanonnenvoer. In De kapo is Vilko Lamian al in zijn puberteit ‘beschikker en bezitter’ van vrouwenlichamen. Als ontwortelde jood probeert hij tijdelijk beschutting te vinden tegen de terreur in en buiten hem. Gevoeligheid en meedogenloosheid weet Tisma tot een verontrustend geheel te maken. Daarom hebben zijn romans zo veel te zeggen over de bevroren vrede die nu op de Balkan heerst.



Alexandar Tisma, Die wij liefhebben. Vertaald door Reina Dokter. Uitg. Meulenhoff, 127 blz., ƒ32,90